De mens is een verlepte vleesbloem

Nog voor verschijning was er al een rel over de nieuwe Houellebecq. De vraag is waar iedereen zich zo over opwindt. La carte et le territoire is een mooie Houellebecq light, meent Margot Dijkgraaf.

Michel Houellebecq: La carte et le territoire. Editions de Noyelles (een uitgave van Club France Loisirs, met toestemming van Editions Flammarion), 428 blz. € 26,85

Een nieuwe roman van Michel Houellebecq betekent per definitie rumoer. Dit keer was het kabaal opvallend genoeg niet geregisseerd door de uitgeverij, Flammarion, maar waren het de leden van de jury van de Prix Goncourt die, nog vóór het boek in de winkel lag, openlijk in de clinch gingen over La carte et le territoire. Bernard Pivot sprak zich positief uit. Tahar Ben Jelloun, wiens werk ver van dat van Houellebecq verwijderd is en zich nooit onder de indruk heeft getoond van Houellebecqs romans, was allesbehalve gecharmeerd. ‘Geklets over de condition humaine’, schreef hij, ‘een gekunstelde stijl, een verhaal dat bestaande personages vermengt met verzonnen karakters’. ‘Hij wil ons zijn visie op de wereld verkondigen, maar daar hebben we lak aan. Wat kan het mij schelen wat meneer Houellebecq vindt van industriële wereldrijken, de moderne architectuur of de schilderkunst, vooral omdat hij debiele uitspraken doet over Picasso.’

Inderdaad, Picasso is een van de mensen die het moeten ontgelden. ‘Picasso is lelijk, hij schildert een afschuwelijk vervormde wereld want zijn ziel is afschuwelijk. Hij zou hoogstens zestigjarigen met een flinke bankrekening kunnen verleiden.’ En Le Corbusier is een ‘brute geest met een intense smaak voor alles wat lelijk is’. ‘Hij bouwde identieke cellen, op zijn best goed voor een modelgevangenis’. Verder worden meer of minder bekende Franse persoonlijkheden gekarikaturiseerd, onder wie Frédéric Beigbeder en de buiten de Franse grenzen onbekende Jean-Pierre Pernaut.

Maar eigenlijk is het dat wel. De provocaties zijn hiermee geteld. Geen aanval op de islam, geen bespuwing van Chinezen, geen seksuele excessen, geen diepe vrouwenhaat, geen xenofobie. Het is alsof Houellebecq, flink boven de vijftig, ditmaal geen zin had uitsluitend op zijn bekende aambeeld van provocatie, seks en religie te hameren, maar, ouder, wijzer en vele illusies armer, liever wilde freewheelen rondom andere hete hangijzers in onze huidige maatschappij. De kunstmarkt en het grote geld, de vader-zoonrelatie, moord en doodslag en dan toch ook: Europa in de toekomst.

Waar windt Ben Jelloun zich eigenlijk zo over op? La carte et le territoire is, vergeleken met zijn eerdere werk, een Houellebecq ‘light’, met meer (zwarte) humor, een flinke dosis zelfspot en minder loodzwaar cynisme. ‘Mild’ zou je bijna zeggen, als dat bijvoeglijk naamwoord niet zo onverenigbaar was met het beeld dat Houellebecq in de loop der jaren heeft opgebouwd.

Wat bij Ben Jellouns tirade ongetwijfeld een rol speelt is dat Houellebecq dit jaar wel degelijk een serieuze kans maakt op de Goncourt. In 1998 werd Elementaire deeltjes gepasseerd vanwege zijn scandaleuze karakter en in 2005, toen Mogelijkheid tot een eiland verscheen, ging Frankrijks meest prestigieuze prijs nogmaals aan Houellebecqs neus voorbij. De jury wilde zijn handen niet vuil maken aan een zo omstreden auteur. Niet best voor het toch al weinig gedurfde en jonge imago van de Prix Goncourt. Dus als het maar enigszins kan, dán dit jaar, zal een aantal juryleden gedacht hebben.

Inmiddels is er echter al weer een andere reden die de jury ervan kan weerhouden de roman te bekronen: een beschuldiging van plagiaat. Houellebecq zou zonder bronvermelding fragmenten van Wikipedia hebben overgenomen, passages over ‘de mug’, de stad Beauvais en ‘de politie’. Een hotelier neemt voor een beschrijving van zijn hotel de lyrische termen van de website van Chateaux & Hotel Collection over ‘De hammam van wit marmer die maar tot één conclusie leidt: hier is het leven mooi.’ In een filmpje op bibliobs.fr antwoordt de auteur dat het ‘altijd een deel van zijn literaire methode’ is geweest om ‘echte documenten en fictie door elkaar heen te verwerken, het is een weefsel, een patchwork’. Hij verwijst naar Georges Perec en Borges die fragmenten onbewerkt overnamen, ‘ik bewerk ze nog meer’. De beschuldiging kan volgens Houellebecq ook een strategie zijn om hem te schaden.’

Ook in zijn nieuwe roman verwijst Houellebecq een paar keer direct en indirect naar Georges Perec. De hoofdpersoon van La carte et le territoire is een beeldend kunstenaar, Jed Martin, een nogal contactgestoorde buitenstaander zonder veel vrienden, een man ‘die nooit echt jong is geweest’, die nooit de krant leest (‘een vreemd overblijfsel, dat waarschijnlijk op korte termijn uitsterft’) en die in alle opzichten verwant is aan Houellebecqs eerdere personages. Jed Martins vroege werk op de kunstacademie en in de jaren erna bestaat uit het maken van 11.000 foto’s van gebruiksvoorwerpen, een ‘hommage aan de menselijke arbeid’ en een poging tot een ‘volledige catalogus van door de mens gefabriceerde objecten in het industriële tijdperk’.

Martin is niet ambitieus, niet echt getalenteerd en slaagt eigenlijk zijns ondanks in het leven. Zijn moeder pleegde zelfmoord toen hij nog een kind was en één keer per jaar zoekt hij zijn bejaarde vader op, een architect en succesvol ondernemer die even buiten de stad woont, vroeger een aardige groene buurt, maar inmiddels een no-go-area waar geen taxichauffeur hem wil afzetten.

Na het bericht van het overlijden van zijn grootmoeder reist Martin naar het platteland in het hart van Frankrijk, de Creuse, waar ze woonde. Hij koopt een Michelin-kaart om de route te bepalen en raakt in vervoering. De ‘esthetische openbaring’ leidt tot zijn volgende fotografische project (het fotograferen van Michelin-kaarten onder verschillende hoeken) en zijn doorbraak als kunstenaar. ‘De kaart is interessanter dan het territorium’ luidt de titel van Martins eerste expositie, gesponsord door Michelin. Een variant op de uitspraak van de omstreden Poolse filosoof en semanticus Korzybski. Fictie is interessanter dan de realiteit, zou de suggestie kunnen zijn.

Inderdaad volgt er een curieuze vermenging van fictie en werkelijkheid. Jed Martin zoekt de schrijver Michel Houellebecq op in Ierland met het verzoek een introductie te schrijven op zijn volgende tentoonstelling. Houellebecq introduceert dus zichzelf als personage in zijn roman. Opmerkelijk of provocerend is het allemaal niet. Geestig en zelfrelativerend wel. Een portret van een loser, iemand die na drie jaar de verhuisdozen nog niet heeft uitgepakt, die zijn tuin verwaarloost en aan de drank is. Een autist die met niemand contact kan leggen, die ‘meestal niets doet’, die lijkt ‘op een oude zieke schildpad’ en zoveel last van eczeem heeft dat zijn leven bestaat uit ‘een eindeloze krabsessie’.

Zo creëert Houellebecq (de echte) twee alter ego’s, als waren het – geheel in stijl – klonen van zijn eerdere personages. Beiden hebben een ‘nogal arm innerlijk leven’, beiden raken in vervoering van een goedgevulde supermarkt waar ze de enige klant zijn. Beiden realiseren zich dat ze ‘culturele producten’ zijn. Ze maken niet actief deel uit van de wereld, voelen zich ‘vredig en vreugdeloos’, ‘voorgoed neutraal’. In hun werk – en ook dat is Houellebecquiaans – is hun blik op de wereld ‘meer die van een etnoloog dan die van een politiek commentator’.

Houellebecq (de fictieve) verhuist van Ierland naar een dorpje op het Franse platteland en trekt zich terug in zijn voormalige grootouderlijk huis. Zijn leven ‘loopt ten einde’, maar niet bepaald vredig: Houellebecq (de fictieve) wordt op gruwelijke wijze vermoord. ‘Het was geen slechte schrijver’, laat Houellebecq (de echte) iemand zeggen, ‘hij was prettig leesbaar en hij had een juiste visie op de samenleving’. De rechercheur die de moord moet oplossen, gedeeltelijk geportretteerd met de gewraakte fragmenten van Wikipedia, gelukkig getrouwd en ‘een voorstander van siliconenborsten’, heeft een hele kluif aan de zaak. In een Sri-Lankees klooster heeft hij een cursus ‘lijkmeditatie’ gedaan: iedere dag staren naar een nieuw lijk, denkend ‘dit is mijn lot, ik kan er niet aan ontsnappen’. Zo raak je gewend aan moord, dood en verderf.

De dood is een terugkerend motief in deze roman. Het verval is alom. Dat geldt ook voor vrouwen, die Houellebecq, minder geobsedeerd door seks, vriendelijker portretteert dan in eerdere romans. De mooie Russische Michelin-topvrouw, ‘die prachtige vleesbloem’ begon ‘ook al te verwelken’, de aftakeling ‘zou alleen maar sneller gaan’.

Het is ook in bredere zin het beeld dat je bijblijft. De oververhitte wereld waarin de mens zich god waande, almachtig leek, doet een stapje terug. In Europa is het industriële tijdperk voorgoed ten einde, de overblijfselen daarvan zijn geportretteerd, de resten gearchiveerd, rijp voor het museum. De glorietijd is voorbij.

In zijn epiloog vergast Houellebecq ons op een toekomstvisie, zo’n twintig jaar verder in de tijd. De globalisering heeft ons gedwongen terug te keren tot het pre-industriële tijdperk, Europa wordt weer agrarisch. Frankrijk heeft alleen nog zijn ‘hôtels de charme, parfums en pastei te bieden, wat men levenskunst noemt’. Oude ambachten en lokale producten worden in ere hersteld, nieuwe generaties gaan weer respectvol met geld om, keren terug naar zeden en gewoonten uit vroeger tijden. De immigratiestroom naar Europa is zo goed als opgedroogd. Afrikaanse migranten richten zich op ‘de nieuwe industrielanden’ en ‘wagen zich aan de knap gevaarlijke oversteek van de Indische Oceaan of de Chinese zee’.

Houellebecq slaat nog wel waar het pijn doet, maar hij slaat melancholiek en minder hard. En het doet beduidend minder pijn.

Zie nrcboeken.nl voor berichten over de ‘plagiaatkwestie’