Bobbistiek is eeuwig houdbaar

Cover van het boek Het malle ding van bobbistiek van Leonie Kooiker

Leonie Kooiker: Het malle ding van bobbistiek. Ploegsma. 7+, €14,95

Leonie Kooiker (Markelo, 1927) heeft ongeveer zestig kinderboeken geschreven, waarvan enkele blijven oplichten in het landschap van de letteren. Kooiker is dus geen one hit wonder, al zal ze bekend blijven door dat ene beroemde boek, Het malle ding van bobbistiek.

Kooikers debuut, in 1971 bekroond met de Gouden Griffel, is een fantastisch boek. Dat leert de herziene uitgave van Het malle ding van bobbistiek. Het verhaal van de twee jongens die met een magische stof (‘bobbistiek’) een vliegmachine bouwen en daar ook nog mee rondvliegen, bevat alles wat een goed kinderboek moet hebben. De samenstelling van dat ‘alles’ is natuurlijk het geheim van de schrijver – net zoals uitvinder Bobbie het recept van zijn bobbistiek voor zich houdt. Maar enkele ingrediënten van dit ideale kinderboek zijn wel op te noemen.

Een ijzersterk gegeven. Iedereen die als kind wel eens wat heeft geknutseld, kent de frustratie. De ene bouwstof is kneedbaar en buigzaam, maar niet sterk genoeg om pakweg een auto te maken; bijvoorbeeld klei. De andere bouwstof is sterk, maar niet te bewerken door een kind; staal. Bobbistiek is dan ook de vervulling van een kinderdroom: een bouwstof die zich laat kneden als klei en uiteindelijk sterk wordt als staal. En zo bouwen Bobbie en broer Albert eerst een boot en dan een vliegtuig.

Interessante personages. Bobbie is de dromer, die wil reizen en verdwijnen via een speciale pasta, en die niets geeft om geld. Albert is de doener, de behendige knutselaar die als iets af is meteen aan zijn volgende project begint. Ze werken innig samen en maken hartstochtelijk ruzie.

Een originele arena. Bobbie en Albert wonen met hun familie in een dijkwoning bij een rivier. Bij een overstroming wordt hun tuin ‘een blubberboel met riet en drijfhout’.

Een echte kinderwereld. Bij Kooiker zijn kinderen de hoofdpersonen van hun eigen wereld. Hun verlangens en dromen zijn de motor van het boek. In dit geval het verlangen te reizen en de droom om te vliegen, die Kooiker samensmelt in een vliegreis naar ‘de hoge bomen’ een poëtisch stukje bos in de verte. De ouders staan op een afstand: ‘Je hebt ze wel eens nodig, daar is niets aan te doen.’

Spanning. De spanningsbogen van Kooiker zijn klein maar effectief. Zal het lukken van het dak te vliegen? Wie is dat rare mannetje in het bos? Wat te doen als de benzine op is?

Humor. Kooiker hanteert een milde ironie die aan Astrid Lindgren doet denken. Hun vliegmachine wordt op het dak gehesen op een ‘geschikte’ dag: ‘Op een dag namelijk dat hun moeder niet thuis is.’ De woordspelingen van Kooiker zijn inventief. De vergunning voor het besturen van de ovale vliegmachine heet ei-bewijs.

Net zoals bobbistiek niet kan worden bereid zonder rituelen, zo behoeven bovenstaande ingrediënten echt schrijverschap om een kinderboek te worden. Kooiker bezit het geheim van dat magische schrijverschap.