Bezuinigingsstorm

Op overtuigende wijze schetst Arjo Klamer in het Cultureel Supplement van 27 augustus het beeld van een kunstensector die losgezongen is van grote delen van de samenleving. Steun wordt nog slechts gevonden bij de elite met argumenten die sleets overkomen en die, aldus Klamer, de kunsten niet meer zullen behoeden voor de naderende bezuinigingsstorm. Zijn observaties snijden hout en worden geïllustreerd met herkenbare uitspraken, rechtstreeks ontleend aan de borreltafel.

Helaas ontbeert zijn verhaal een analytische laag waardoor de indruk wordt gewekt dat de kunsten zelf gekozen hebben voor dit maatschappelijk isolement. Niets is minder waar; in mijn praktijk als kunsteconoom ben ik geen kunstenaar tegengekomen die zich koesterde in geringe publieke belangstelling. De oorzaak van de ongewilde kloof kan gevonden worden door toepassing van de aloude economische mantra ‘follow the money’.

De overheid heeft zich na de Tweede Wereldoorlog in gestaag tempo ontwikkeld tot belangrijkste financier van de kunsten. Doorslaggevend criterium voor toewijzing van subsidie is altijd de artistieke kwaliteit geweest. De nadere invulling van dit abstracte begrip heeft de overheid gedelegeerd aan advieslichamen, eerst de Raad voor de Kunst en later de Raad voor Cultuur. Deze adviesraden stellen commissies van vakgenoten samen om te bepalen wie tot het subsidiewalhalla wordt toegelaten. Bij deze zogenaamde ‘peer review’ ligt de nadruk op de kwaliteitsperceptie van kenners. De smaak van de ‘gewone man’ speelt daarin geen enkele rol. Er wordt dus sinds decennia met algemene middelen kunst gefinancierd voor kenners en niet voor brede lagen van de bevolking. Dit beleid heeft diepe voren getrokken in de kunstsector. Op bedrijfsstrategisch niveau heb ik menig plan om meer publiek te trekken, zien stranden op de angst voor negatieve adviezen van de Raad voor Cultuur. Bestuursleden en managers van kunstinstellingen worden geselecteerd op hun vermogen om de subsidie te verhogen. Uit nog ongepubliceerd onderzoek van de Universiteit Antwerpen blijkt de kwaliteit van Nederlandse kunstmanagers achter te blijven bij hun Vlaamse collega’s. Het zijn symptomen van een beleidssysteem dat in zichzelf vastgelopen is.

De onafwendbaar lijkende bezuinigingen kunnen in dit perspectief een ‘blessing in disguise’ vormen, als het nieuwe kabinet bereid is tot een systeemwijziging. De typisch Nederlandse kunstenplansystematiek met peer review is hoognodig aan revisie toe. Het mes snijdt dan aan twee kanten. Enerzijds zal beëindiging van het plansysteem een bezuiniging genereren van 10 tot 15 miljoen, zoals ik in mijn proefschrift heb berekend. Anderzijds kan een nieuw beleidssysteem de weg vrijmaken naar een herwaardering van kunst in de samenleving. Zonder perverse prikkels kunnen kunstinstellingen zich echt gaan richten op het algemene publiek dat, zo blijkt ook uit onderzoek wel degelijk interesse heeft in kunst. Het Engelse beleidsmodel zou als richtsnoer kunnen dienen; met aanzienlijk minder subsidie per hoofd van de bevolking is het publieksbereik daar tweemaal zo groot.