Alles draait om de gesprekstarter

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, deze week een dikke gids voor de kunst van het babbelen.

Vroeger, laten we zeggen: in de Middeleeuwen, speelden de kinderen nog gewoon buiten op straat. Ze klommen in bomen, vielen eruit en krabbelden weer overeind. De grote mensen stonden erbij, keken ernaar en maakten ondertussen een babbeltje. Maar toen (korte samenvatting) kwam de vooruitgang, met machines en onderwijs en internet. De kinderen komen niet meer buiten, klimmen niet meer en weten ook niet meer hoe ze moeten vallen. Met als gevolg dat de basisscholen nu valcursussen aanbieden. De grote mensen komen ook niet meer buiten en weten dus ook niet meer hoe ze met elkaar moeten babbelen. Met als gevolg dat er nu boeken verschijnen waarin staat hoe dat moet: een praatje beginnen (het begin is het moeilijkst) en het daarna op gang houden.

‘In een tijdperk waarin persoonlijke contacten steeds schaarser worden, geraakt het zinvol praten in de verdrukking,’ zo beginnen Kristoffel François en Thomas van Buuren hun praatje in Het Boek met Alle Gespreksonderwerpen. Het boek valt in twee delen uiteen: de theorie (8 bladzijden) en de praktijk (582 bladzijden). In het theoretische gedeelte worden de problemen geïnventariseerd. Hier komen zaken aan bod als: wat tegen iemand anders te zeggen, en zo ja: hoe? Er wordt stilgestaan bij kwesties als de eerste vraag, het hakkelen, het stokken van het gesprek en de gênante stilte. Het is akelig herkenbaar, tot en met de voorbeelden van een stijf gesprek. ‘Hoe is het?’ ‘Goed, en met jou?’ ‘Prima!’ ‘Mooi. En met de kinderen ook alles goed?’ ‘Zeker, ze worden al groot, he.’ ‘Ja, de tijd gaat snel.’ ‘Zeker, vertel mij wat.’ Je gaat vanzelf met je voet over de grond schrapen als je het leest. Dit is het soort gesprek dat meestal heel snel naar zijn einde gaat. ‘Goh, ik moet er weer even vandoor. Tot binnenkort.’ ‘Ja, we spreken elkaar snel weer.’

Gelukkig blijkt er ‘vakliteratuur’ te zijn die ons leert hoe wij zulke dwangconversaties kunnen vermijden. Alles staat of valt met ‘de gesprekstarter’, de openingsvraag. Die moet interessant zijn. Een interessante vraag voegt zich naar ‘het PACKO-model’: Persoonlijk, Activerend, Concreet, Kort en Open. Verder is het niet onbelangrijk dat de openingsvraag niet te veel ontkenningen bevat. Geen kennisvragen. Geen kruisverhoor. En, ook een handige tip: stel niet twee keer dezelfde vraag.

Daarna volgt de praktijk: honderden bladzijden met honderden voorbeeldvragen waarmee wij ons naar feest, receptie of straathoek kunnen begeven om een leuk gesprek te beginnen. Er zit voorzover ik kan zien geen volgorde in. Je kunt vragen ‘Wat is geluk?’ of ‘Lijk je meer op je moeder of op je vader?’, maar ook ‘Je vindt een portefeuille op straat die 3000 euro bevat en adresgegevens. Wat doe je?’ Of (mijn lievelingsvraag): ‘Waarom zijn bananen en komkommers krom, terwijl wortels en worsten meestal recht zijn?’

Niet alle vragen lijken mij voor iedereen even geschikt (‘Waar komt het heelal vandaan?’), maar dat hoeft ook niet. De samenstellers wijzen ons erop dat het niet de bedoeling is dat we voor een interessant gesprek al deze vragen aflopen.Handig is ook dat we bij elke vraag op de tegenoverliggende blanco bladzijde kunnen aangeven voor wie dit ‘de ideale vraag’ zou zijn. Je kunt dus, als je al weet wie je tegen gaat komen, huiswerk doen. Je plakt een memosticker bij de ideale vraag, en neemt het boek (5 cm dik) onder de arm mee naar het feest, zodat je nooit meer verlegen hoeft te zitten om een goede gesprekstarter.

Het Boek met Alle Gespreksonderwerpen. Red. Kristoffel François en Thomas van Buuren. Reality Bites, 590 blz. € 14,95.