Afrekenen met de Koerden

Betsy Udink: In Koerdische kringen. Augustus, 315 blz. € 19,95

In veel opzichten hebben de Iraakse Koerden het sinds de oorlog van 2003 beter dan ooit. Ze hebben een eigen regionale regering en hun gebied is grotendeels vrij van bomaanslagen en is zichtbaar welvarender dan de rest van Irak. Maar de regio wordt geteisterd door corruptie en door een zorgwekkende toename van geweld, met name tegen vrouwen en onafhankelijke journalisten.

Betsy Udink heeft de nodige faam verworven met haar boeken over Saoedi-Arabië en Pakistan. Nu richt ze haar aandacht op de dramatische geschiedenis van de Koerden in Irak. Ze is een oudgediende op dat gebied. Al in 1974 ontmoette ze, als kersverse verslaggeefster, de legendarische Koerdische leider Molla Moestafa Barzani. Nu haalt ze herinneringen op aan de jonge Koerdische vluchtelingen die ze steunde, en noteert ze recente gesprekken met die oude vrienden, van wie sommigen nu een vooraanstaande plaats hebben in de Koerdische regering of onder de nieuwe machthebbers in Bagdad.

Voor degenen die in de afgelopen jaren de berichtgeving over Irak en de Koerden hebben bijgehouden, bevat In Koerdische kringen weinig nieuws. Ook de lugubere details van de wreedheden van Saddam Husseins regime zijn genoegzaam bekend. Interessanter zijn Udinks verslagen van het proces over de Anfal-operaties, de volkerenmoord die het regime eind jaren tachtig in Iraaks Koerdistan uitvoerde.

Udinks boek pretendeert echter niet zozeer een politieke analyse te geven of onbekende feiten te achterhalen. Veeleer is het een persoonlijk verslag, om niet te zeggen een persoonlijke afrekening, waarbij ze bijna net zo hard oordeelt over zichzelf als over haar oude Koerdische vrienden. Steeds benadrukt ze hoe naïef en door medelijden verblind ze was als onervaren journaliste. Daardoor lijkt het of ze eerder een punt wil zetten achter haar eigen verleden dan het Koerdische heden te doorgronden.

Pas op de laatste bladzijden komt het hoge woord eruit. Ze geeft dan niet alleen uiting aan haar afkeer van het hedendaagse Midden-Oosten, dat ze nu als onverbeterlijk verdorven en gewelddadig voorstelt, maar ook aan haar teleurstelling over de corruptie van de huidige Koerdische leiders, die ze haar oude vrienden bijna persoonlijk kwalijk neemt. Die teleurstelling is begrijpelijk, maar ze gaat gepaard met een nogal neerbuigende toon, en – erger – met een gebrek aan interesse voor wat er zich nu allemaal afspeelt.

Udink wekt niet de indruk op haar recente reizen méér van Iraaks Koerdistan te hebben gezien dan wat luxe hotels en een paar zwaar bewaakte kantoren van regeringsmedewerkers. Winkelcentra en vluchtelingenkampen heeft ze blijkbaar evenmin bezocht als soefi-rituelen of evangelische gebedsdiensten. Veel beschrijvingen van hedendaagse Iraaks Koerdistan zijn uit de tweede hand, en opgetekend uit de mond van de huidige machthebbers. Daardoor is In Koerdische kringen als politieke beschrijving te persoonlijk en te oppervlakkig, en als reisverhaal te weinig beeldend.