Zambia beroofd van een betere toekomst

Iedere Zambiaan vertelt hetzelfde verhaal. Over hoe rijk het land had kunnen zijn en hoe dat toch niet lukte.

Het is een doordeweekse middag, maar de langgerekte kerk aan het zandpad in Solwezi zit propvol. Dominee Paul Matembo, voorganger uit het nabijgelegen Kitwe onderricht zijn gehoor vandaag over uranium. Dat is, zegt hij, „het dodelijkste metaal op aarde”. En hier in Solwezi, op de grens van Zambia en Congo, zit het onder de grond.

Zijn toehoorders luisteren aandachtig. Af en toe slaken ze een collectieve zucht. Bijvoorbeeld als de dominee zegt te vrezen dat de Zambiaanse autoriteiten niet half weten hoeveel schade uranium kan aanrichten.

„Als onze mannen met radioactiviteit moeten werken, dan lopen ze groot gevaar”, legt Matembo uit. „Maar onze overheid laat alle verantwoordelijkheid aan de bedrijven die de concessies hebben.” En private bedrijven, vervolgt de dominee wijzend op een dia die op een gekreukt laken staat geprojecteerd, „geven niet om gewone Zambianen. Dat hebben we van de privatisering van de koperindustrie wel geleerd”.

Zoals zoveel Afrikaanse landen, kreeg het grondstoffenrijke Zambia in de jaren tachtig van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank het advies om de economie te hervormen. Onder president Kenneth Kaunda waren de kopermijnen begin jaren zeventig genationaliseerd. Nu moesten ze weer op eigen benen komen te staan.

Dezelfde Kaunda kwam in 1983 een eerste ‘Structureel Aanpassingsprogramma’ met IMF en Wereldbank overeen. Maar pas onder zijn in 1991 verkozen opvolger, Frederick Chiluba, werd het land rijp voor economische liberalisering. Chiluba rekende af met het socialisme van Kaunda. Eind jaren negentig zette hij het staatsbedrijf Zambia Consolidated Copper Mines in de etalage. Maar de uitverkoop leidde tot het ene schandaal na het andere.

Mijnen werden voor een appel en een ei van de hand gedaan en in sommige gevallen gestript. Politici hielden geld achter voor persoonlijk gewin en de door de overheid voorgespiegelde opleving van de provincie Copperbelt liet nog even op zich wachten.

„Die metalen zijn van jullie”, peptalkt dominee Matembo in Solwezi. Even buiten de stad ligt Lumwana, de grootste nieuwe kopermijn van Afrika. „Koper, uranium: het is van ons allemaal. Accepteer niet dat andere mensen dan de gewone Zambianen er rijk van worden.”

Als Matembo is uitgeraasd vraagt een schriele jongeman achterin de kerk beleefd het woord. De ongeveer tweehonderd hoofden draaien naar achteren. De man stelt zich voor als Lewis Miyanda, ondernemer.

„Zambianen”, zegt hij met gedragen stem, „zijn te dociel. We moeten in actie komen. We moeten naar de districtscommissaris en hem vragen hoe het komt dat we ondanks de mijnen nog altijd arm zijn in Solwezi. Dit zou het rijkste land van Afrika kunnen zijn, met deze stad als bloeiend middelpunt. Maar we zijn arm, we leven van ontwikkelingshulp en we werken tegen hongerloontjes in mijnen die in buitenlandse handen zijn.”

Voorzichtig klinkt applaus. „Tijd voor actie!”, herhaalt ondernemer Miyanda.

Maar als de dominee zijn presentatie heeft afgerond en de bij elke Afrikaanse vergadering verplichte maaltijd van kippenpootjes in rode saus is opgediend, is er niemand die Miyanda naar de districtscommissaris wil volgen.

„Zambianen laten alles over zich komen”, zucht de jonge ondernemer, wandelend over het stoffige pad terug naar de hoofdweg. Vrachtwagens, bussen en peperdure terreinauto’s van de twee grote mijnbedrijven rond Solwezi stuiven voorbij.

Daartussen de jeeps van Unicef, het Rode Kruis en de Nederlandse hulporganisatie SNV. „Over vier jaar vieren we vijftig jaar onafhankelijkheid”, zegt Miyanda, „maar van wie zijn we onafhankelijk? Zonder hulp uit Europa kunnen we niet en de rijkdommen die we hebben zijn aan buitenlanders overgedragen.”

Iedere Zambiaan vertelt hetzelfde verhaal. Over hoe rijk het land had kunnen zijn en hoe het toch niet lukte. Tussen 1974 en 1995 was er geen oorlog en geen serieus binnenlands conflict. Toch halveerde in die periode het gemiddeld inkomen. Het waren de jaren van de lage koperprijzen.

Maar zelfs met een goede de koperprijs, zoals nu, is Zambia volgens de VN een van de minst ontwikkelde landen in de wereld. In ruil voor economische hervormingen, begonnen onder Chiluba en vanaf 2002 voortgezet door president Levy Mwanawasa, ontving Zambia wel steeds meer ontwikkelingshulp. In 1995 kwam 63 procent van het nationaal inkomen van westerse donoren.

„Inmiddels is nog ongeveer 20 procent van onze begroting van buitenlandse donoren afkomstig”, zegt de econoom Alexander Chileshe, adviseur van de regering, in zijn kantoor in hoofdstad Lusaka. „Dat is nog steeds krankzinnig veel als je bedenkt dat we tot de belangrijkste koperproducenten in de wereld behoren.”

Minder dan 5 procent van het nationaal inkomen komt uit mijnopbrengsten, zegt Chileshe. „We hebben sinds de jaren negentig hervormd zoals de donoren dat verlangden, maar onze armoede is niet substantieel verminderd.” De uitgesproken ondernemer in Solwezi heeft een punt, zegt Chileshe. „Economisch is Zambia allesbehalve onafhankelijk.”

„Zambia”, beaamt Sydney Mwansa van het activistische Jesuit Centre for Theological Reflection, „zou helemaal geen ontwikkelingshulp nodig hebben als de mijnen meer geld zouden opleveren.” Hij heeft in de ‘Lion Conference Hall’ van een ietwat versleten hotel in een buitenwijk van Lusaka juist een workshop gegeven over de geringe belastingen die de mijnbedrijven aan de Zambiaanse overheid betalen. „Vóór de privatisering gingen alle inkomsten naar de staat. Ik zeg niet dat alles toen perfect was, zeker niet toen de koperprijs instortte, maar we hebben delen van Zambia kunnen ontwikkelen dankzij de inkomsten van de mijnen”, zegt Mwansa.

De huidige regering, meent hij, laat de oren hangen naar de donoren. „Als die zeggen dat economische groei belangrijk is, dan komt er economische groei tegen elke prijs. Maar groei leidt niet per definitie tot minder armoede. Dat zien we niet alleen in Zambia, maar in ook in veel andere Afrikaanse landen die keurig alle voorgeschriften van de internationale instellingen hebben doorgevoerd.”

Sinds de liberalisering van de markten is Zambia tamelijk succesvol in het aantrekken van buitenlandse investeringen. In Lusaka is daarvan het resultaat te zien: glimmende winkelcentra en kantoorgebouwen verrijzen, grote groepen Chinese investeerders bevolken de sjieke hotels en onderhandelen met Zambianen over nieuwe mijnconcessies of overheidscontracten.

Op de Copperbelt neemt de productie inmiddels elk jaar weer toe, in 2009 nog met 14 procent. Maar onder welke voorwaarden buitenlandse ondernemingen geld in Zambia steken, blijft geheim, zegt Mwansa. „De mijnbedrijven krijgen belastingvoordeeltjes, korting op elektriciteit en toestemming om een deel van de mijnwerkers zonder vaste aanstelling te laten werken. Daar schieten gewone Zambianen niet veel mee op.”

Econoom Chileshe, die directeur is van de Economics Association of Zambia, zegt: „De Wereldbank en het IMF wilden dat we zouden liberaliseren. Zambia werd een voorbeeldige leerling van de Washingtonse instellingen. Maar ze vergaten ons te helpen om op een transparante wijze staatsbedrijven van de hand te doen. Miljoenen die nodig waren voor de ontwikkeling van Zambia, verdwenen in zakken van politici en ambtenaren en het land zat met slechte deals opgescheept.”

Dat is niet de schuld van de mijnbedrijven, zegt Chileshe. „Die proberen gewoon het maximale eruit te halen. Wij hadden ons moeten realiseren dat zij veel meer ervaring hebben in dit soort onderhandelingen. Nu voelen onze mensen zich beroofd van de enige kans op een betere toekomst.”

Sydney Mwansa wiebelt zenuwachtig op zijn stoel. Hij moet terug naar de conferentiezaal. Maar één ding wil hij nog kwijt. „Ik ben politiek geen fan van Hugo Chavez”, zegt hij. „Maar kijk eens hoe hij in Venezuela de strijd met die mijnbedrijven is aangegaan. Hij plukt ze helemaal kaal. En nemen ze de benen? Nee, natuurlijk niet. Zambiaanse politici denken dat ze de investeerders kwijtraken als ze meer belasting heffen, maar als een bedrijf op zoek is naar koper of naar uranium of kobalt, dan heeft het daar best wat voor over.”

Dat dacht minister van Financiën Ng’andu Magande in 2008 ook. De koperprijs was door de Chinese grondstoffenhonger in 2006 en 2007 nog nooit zo hoog geweest. Met instemming van toenmalig president en corruptiebestrijder Mwanawasa kondigde hij aan de mijnbedrijven fors hoger te belasten om investeringen in onderwijs, infrastructuur en gezondheidszorg te financieren.

Maar het mocht niet zo zijn. In het jaar waarin de windfall tax (een meevallerheffing bij hoge koperprijzen) werd voorgesteld, kwam Mwanawasa te overlijden en nam Rupiah Banda het presidentschap over. Het waren de mijnbedrijven die de nieuwe president als eerste feliciteerden. „Die hadden maandenlang tegen mijn voorstellen gelobbyd en kregen van de nieuwe president hun zin”, zegt de verongelijkte Magande, die zijn baan als minister kwijtraakte.

Magande en oppositiepolitici vermoeden dat de mijnbedrijven de huidige machthebbers hebben afgekocht. Maar volgend jaar, als er verkiezingen zijn, zal de mogelijke mijnheffing opnieuw een belangrijk thema zijn. Dat Zambia corruptie onvoldoende bestrijdt, wees president Banda afgelopen maand krachtig van de hand. Westerse donoren die zeggen dat onder zijn regime de corruptie is toegenomen, steken „hun neus in onze zaken” en willen de verkiezingen beïnvloeden, zei Banda. „Dit is geen bananenrepubliek.”

De mijnbedrijven zullen de plannen blijven bestrijden. „Mijnbouw is niet zomaar handel, we moeten eerst enorm investeren”, verweert Nathan Chishimba van de Chamber of Mines zich. De omvangrijke woordvoerder is een van de directeuren van de Lumwana-mijn van het Australisch-Canadese Equinox even buiten Solwezi.

„Mijnbedrijven maken lange termijnafspraken met de overheid”, zegt Chishimba. „Duizenden mensen zijn door ons aan het werk.” Was die belasting doorgevoerd, zegt hij, dan had Zambia nog vooral „onfatsoenlijke cowboybedrijven” aangetrokken. „Die nemen alle koper die niet al te diep ligt mee, en zijn na een paar jaar vertrokken.”

Oud-minister Magande wil er niets van horen. „Tussen 1906 en 2006”, zegt hij, „hebben we 16 miljoen ton koper geëxporteerd, maar Zambianen zijn in diezelfde periode alleen maar armer geworden. In de koloniale tijd werden we uitgebuit door de Engelsen, nu we onafhankelijk zijn laten we ons uitbuiten door de rest van de wereld. Als Zambia weer controle heeft over de mijnen, dan hoef ik geen ontwikkelingshulp meer.”