Tirannie en vulgariteit

Milton Black: Tail o' the pup Owner Dennis Blake, has worked at Tail o' the Pup hot dog stand since 1976 with his father, Eddie Blake, (not pictured). The landmark and classic Tail o' the Pup may close because of development in the upscale area of West Hollywood where it has been for years. It has appeared in numerous movies and advertisements. Photo taken Wednesday, Nov. 9, 2005. Los Angeles Times

In het geboortegat van Stalin stond tot voor kort nog een standbeeld van hem, de laatste getuige van een artistieke golf die ooit Rusland en aanpalende landen overspoelde. Heel wat kunstenaars daar konden jarenlang hun gezinnetjes voederen door hun opdrachtgever zo imposant mogelijk op pleinen en in parken te installeren. Tirannen zijn een zegen voor de kunstwereld.

Tot voor kort, zei ik. Dat laatste beeld is inmiddels ook neergehaald. Tirannen zijn tijdelijk. Ze worden verjaagd en onthoofd. Ik heb eens gelezen dat kunstenaars in zo’n geval hun overtollig geworden standbeelden verkochten aan een of andere Zuid-Amerikaanse burgemeester, die het beeld dan op zijn dorpsplein neerzette als ‘de Hoop’ of ‘Byron’. We hebben het over de negentiende eeuw. Nog altijd tref je onder kunstenaars de beste kooplui aan.

Het is lucratief om de machthebbers al boetserend en zagend en timmerend in hun eigendunk te bevestigen. Of die nieuwe tirannen nu collectioneurs heten of subsidieverleners. Portretten zijn uit de mode, maar veel van de voddenbalen, vuilnishopen en met diamanten volgepropte schedels die we nu zien zijn regelrechte portretten van de opdrachtgevers.

Kunstenaars vertrouwen op hun imago. Bij kunstenaars denk je aan mensen die aanklagen, vernieuwen, ondermijnen en verontrusten. Bij kunstenaars denk je aan Guernica en revolutie. Dat beeld dringt zich automatisch bij je op, ’t is nooit eens een beeld van hielenlikkers en parasieten, en daar maken de hielenlikkers en parasieten onder de kunstenaars flink misbruik van. Het is nog zwaarder uit de mode om te zeggen dat kunstenaars mensen zijn die verheerlijken. Zoals ze eeuwenlang God en de madonna verheerlijkten. Waarna de bankiers en de bloedjassen. Maar in allerlei vermommingen verheerlijken ze nog altijd hevig.

Kanan Makiya schreef in 1991 een leerzaam boek over kunst en kunstenaars in het Irak van Saddam Hoessein. The Monument heet het. Verplichte kost voor iedereen die zich interesseert voor het huwelijk tussen macht en kunst. Het boek werd in de hele Arabische wereld onmiddellijk verboden. Het monument uit de titel was zojuist in Bagdad onthuld: een gigantische triomfboog van twee handen die elk een zwaard vasthouden.

Ergens in dat boek van Kanan Makiya, die nog jaren onder een schuilnaam moest schrijven, kom je een afbeelding tegen van een hotdogtent in Los Angeles. Pop-art van het zuiverste water, hoor je de kunstwereld kraaien. Kanan Makiya legt haarfijn uit waarom Saddam zelf het ding had kunnen ontwerpen. Er zijn meer schurken kunstenaar.