Pensioenlobby is weer eensgezind

Moeten de pensioenen straks omlaag? De werkgevers en vakbonden zijn eensgezind tegen. Zij zijn politiek machtig. Wat is hun tactiek?

Zij zijn altijd vanzelfsprekende tegenstanders. Behalve als het om pensioenen gaat. Dan staan de vakbeweging en de werkgevers schouder aan schouder om hun gezamenlijke domein te verdedigen.

Vijf dagen voor de verkiezingen van 9 juni sloten de werkgevers onder leiding van VNO-NCW en de vakbeweging onder leiding van de FNV een zogeheten pensioenakkoord. Daarin regelde de pensioenlobby alvast onder elkaar wat de komende jaren het beleid moet zijn op onderwerpen als de stijgende levensverwachting, de beteugeling van de pensioenpremies en de hoogte van de AOW-leeftijd. Of het volgende kabinet straks op het stippellijntje wil meetekenen.

Maar nu doorkruist de pensioencrisis de pensioenlobby. Veertien pensioenfondsen, waaronder het grote metalektrofonds PME, moeten op korte termijn verlaging van pensioenen en -uitkeringen overwegen. Andere grote fondsen zullen morgen belabberde cijfers over hun financiële positie per eind augustus publiceren.

In reactie daarop ijvert de pensioenlobby nu voor aanpassing van de regels van de pensioenfondsen. Dat is een vertrouwde tactiek die in de vorige pensioencrisis, tussen 2001 en 2003, ook effectief bleek. Toen ijverde de pensioenfondsen met succes voor politieke steun zodat zij langer de tijd kregen om hun financiële positie te herstellen. Dat betekende dat de formidabele premieverhogingen die werkgevers en werknemers moesten betalen werden getemperd.

Toen moest het strenge toezicht van De Nederlandsche Bank het ontgelden. Toen moest staatssecretaris Mark Rutte van Sociale zaken (VVD) De Nederlandsche bank te hulp schieten. „De pensioenfondsen begonnen toen de toezichthouder in elkaar te slaan”, zei hij later in een debat.

Nu nemen de pensioenwereld, politici en vakbonden opnieuw het toezicht onder vuur. Nu moet minister Donner van Sociale Zaken (CDA) De Nederlandsche Bank verdedigen. In de vorige pensioencrisis vroegen en kregen de pensioenfondsen meer tijd om uit de sores te komen, nu vragen zij opnieuw meer tijd, om te beginnen door de regels voor de waardering van de pensioentoezeggingen in hun voordeel te veranderen.

De pensioenlobby vertegenwoordigt de grote getallen in de samenleving en is alleen daarom al een politieke factor van betekenis. Negen van de tien actieve werknemers sparen verplicht voor hun pensioen via hun werkgever. De gepensioneerden vormen een groep van meer dan 2,5 miljoen burgers. Elke politicus kent het verlies van het CDA in 1994 toen de partij de houdbaarheid van de AOW leek te willen aantasten: van 54 naar 34 zetels. Toen ongekend.

Bovenal bundelt de pensioenlobby de rasonderhandelaars van werkgevers en vakbeweging. Zij geven nooit op en blijven onderhandelen. Dat doen zij vanuit een scala van instituten met verschillende namen. Het pensioenakkoord uit juni onderstreept de eensgezindheid van de pensioenlobby én hun onderhandelingsvaardigheid. Terwijl de partijen in politiek Den Haag nog formeren heeft de ‘pensioenlobby’ het spoorboekje al klaar.

Het pensioenakkoord komt uit de Stichting van de Arbeid, het overlegforum van werkgevers en vakbonden. Dezelfde gezichten zie je terug in de pensioencommissies van de Sociaal Economische Raad (SER), het belangrijkste sociaal-economische adviesforum van het kabinet. De pensioenfondsen hebben hun eigen branche-organisaties. De grote fondsen, die de pensioenen voor hele sectoren regelen, zoals overheid en onderwijs (ABP), zorg en welzijn en de bouwnijverheid, worden bestuurd door vertegenwoordigers van werkgevers en vakbonden. Die ook weer lobbyen. En er bestaat een legertje van adviseurs, zoals vermogensbeheerders en financiële rekenaars, die doorgaans langs dezelfde lijnen denken als de pensioenfondsbesturen waarvoor zij werken.

Wat valt nieuwkomers in het parlement op? Achter de namen en afkortingen van organisaties die over pensioenen komen praten, zien zij zoveel dezelfde gezichten.