Oscar Mohr's koffertje uit Dachau

Jolande Withuis ontvangt vanmiddag een koffertje uit Dachau van Oscar Mohr. En dat blijkt een schatkistje.

Kort nadat journalist en verzetsman Oscar Mohr na tweeënhalf jaar gevangenschap meer dood dan levend was teruggekeerd uit Dachau, vulden hij en zijn vrouw Daisy een wit koffertje met spullen uit de oorlog. Na de vroege dood van Mohr in 1952 en zijn vrouw in 1968 lag het koffertje jarenlang onder het bed van een van hun dochters. Vanmiddag werd de inhoud overgedragen aan het NIOD.

Het koffertje blijkt een schatkist. Het bevat de brief waarmee Mohr (in 1907 in Sint Petersburg geboren uit een Russische moeder en een Nederlandse vader), op 14 mei 1940 zijn ontslag indiende bij het Algemeen Handelsblad, en de artikelen voor Times en New York Times waarin hij verslag deed van de situatie in bezet Nederland. Ook de rode driehoeken met nummer, die Mohr in Dachau identificeerden als politiek gevangene, zitten erin.

Mohrs kampnummer volgt direct op dat van Pim Boellaard, over wie ik een biografie schreef. Mohr en Boellaard waren in september 1944 vanuit het Nacht-und-Nebelkamp Natzweiler in Dachau beland. Flap Dekking was van hun aankomst getuige. „Kari Mohr”, schreef hij in zijn Memoires van Yvo Pannekoek, was „zelfs toen hij 40 kilo woog nog vrij levendig en ondernemend”. Hij droeg „onder zijn ene oksel een bijzonder kostbare uitgave van Seneca, en onder de andere een blocnootje en een klein potloodje. Hij was de meest intelligente, vindingrijke en doortastende man die ik kende, en ik was dus niet verbaasd dat hij zich niet hoefde te behelpen met het wc-papier waar alle anderen hun ontboezemingen op moesten neerpennen.”

Ik wist al van Boellaard dat Mohr en de sociaal-democratische voorman Stuuf Wiardi Beckman te midden van alle dood en verderf het initiatief hadden genomen om uit het gezamenlijke geheugen van de gevangenen een dichtbundel samen te stellen, waaruit dan ’s zondags kon worden voorgelezen. Het „vijzelde”, zei hij, „de stemming in de modderpoel van Natzweiler op zoals een oase in de woestijn”. Maar ik had niet durven dromen dat ik het boekje ooit in mijn handen zou houden. Het zat in het koffertje: een dubbelgevouwen vierkant blokje ruitjespapier met een zwart kartonnen omslag; voorin het stempel Häftlingslager. Met een klein, sierlijk handschrift zijn er hele, halve en kwart gedichten in genoteerd, soms in potlood, soms met vulpen. Behalve de vijftien coupletten van het Wilhelmus en een gedicht van Adriaan Roland Holst, reconstrueerden Mohr en Wiardi Beckman onder meer Baudelaire, Verlaine, een sonnet van Shakespeare dat begint met de regel: Weary with toil, I haste to my bed, en zelfs het Poolse volkslied.

Op 15 maart 1945 stierf Wiardi Beckman in Dachau aan de virulent om zich heen grijpende vlektyfus. Boellaard, zelf nog herstellende van die ziekte, verwittigde via clandestiene weg hun gezamenlijke vriend, die toen in een buitenkamp verbleef, van dit verlies. Oscar antwoordde: „Deze klap is raak. […] In ons nieuwe leven, als ons dat gegeven wordt, zal er niet veel zijn zoals wij ons dat hebben voorgesteld. [...] Intussen vermijd ik het volle gewicht van de droevige berichten op mijn hoofd te laden. Er is om zo te zeggen geen beginnen aan. […]”.

Dit is een sterk verkorte bewerking van de rede die Jolande Wihuis vanmiddag uitspreekt. Voor haar volledige rede over het koffertje van Oscar Mohr, zie www.niod.nl