Noem een kind niet meteen 'probleemgeval'

Wat zou er van Obama zijn geworden als hij tijdens zijn moeilijke jeugd uit huis was geplaatst? Een kind als ‘risicogeval’ zien kan gevaarlijk zijn.

Het is een van de raadsels in de jeugdhulpverlening. Waarom gaan sommige ‘risicojongeren’ de mist in en komen andere wonderwel terecht? En waarom raken sommige ‘kansrijke’ kinderen toch aan lager wal? Wetenschappers spreken in deze context van ‘veerkracht’. Veerkrachtige kinderen zijn in staat eventuele tegenslagen te ontstijgen. Pedagoog Liesbeth Groenhuijsen schreef er een boek over, dat vandaag verschijnt: Hoogvliegers en pechvogels.

„Kinderen zijn minder voorspelbaar en minder maakbaar dan we soms denken”, stelt Groenhuijsen. Neem nu het Amerikaanse jongetje Barry, schrijft ze in haar eerste hoofdstuk. Zijn leven begon weinig hoopgevend: tweemaal een scheiding, tweemaal verlies van een vaderfiguur, tweemaal een interculturele verhuizing, geweldsdreiging, discriminatie en armoede. Het kwam toch nog goed met hem: in 2008 werd hij de eerste zwarte president van de Verenigde Staten. Was dat ondanks of dankzij zijn moeilijke jeugd, vraagt Groenhuijsen zich af. Stel nu, filosofeert ze, dat de jonge Barry volgens de huidige opvattingen was aangemerkt als ‘risicogeval’ en uit huis was geplaatst, „omdat zijn kracht over het hoofd was gezien? Mogelijk was zijn drang om zijn eigen situatie en die van zijn land werkelijk een nieuwe wending te geven juist afgenomen en was zijn vechtlust verminderd of zijn mildheid beschadigd geraakt.”

Het stempel ‘probleemgezin’ of ‘risicogeval’ is niet zonder gevaren, betoogt Groenhuijsen in haar boek. Het drukt vaak zwaar op de schouders van een kind. Het bevestigt het idee dat het leven oneerlijk is en het ontneemt het kind zijn zelfvertrouwen. Het gaat, met andere woorden, voorbij aan de veerkracht die een kind van nature heeft.

Maar wat is nu precies veerkracht? „Vroeger werd veerkracht gezien als een persoonlijkheidskwestie”, zegt Groenhuijsen. „Je had het of je had het niet. In de moderne literatuur komt veerkracht veel meer naar voren als een combinatie van factoren die bepalen hoe makkelijk een kind na een val weer opkrabbelt.” Die factoren worden vaak onderverdeeld in interne, gezins- en omgevingsfactoren. De wisselwerking daartussen bepaalt of een kind een hoogvlieger wordt, zoals Groenhuijsen schrijft, of een pechvogel. Veerkracht is ook geen statisch begrip: het ontwikkelt zich in de loop van het leven; het verandert van aard.

„Veerkracht is dus niet hetzelfde als ‘een sterke persoonlijkheid’ ”, zegt Groenhuijsen, „hoewel er wel persoonlijkheidsfactoren zijn die een goede basis bieden voor veerkracht. Zelfvertrouwen bijvoorbeeld, een extraverte houding, en de neiging om naar de toekomst te kijken in plaats van naar het verleden.”

Maar wat kan de hulpverlening daar nu mee? „Waar ik voor pleit is dat beleidsmakers en hulpverleners zich hiervan bewust zijn”, zegt Groenhuijsen. „Geef ouders meer zelfvertrouwen. Zij zijn en blijven de eerst aangewezenen om de opvoeding in goede banen te leiden. Wie opvoedt tot veerkracht leert een kind niet wat het moet denken, maar hoe het moet denken; hoe het keuzen kan maken en goed voor zichzelf kan zorgen.”

Neem nu het recente voorstel om kinderen op school valtraining te geven. „Dat zijn dingen waar we vanaf moeten blijven”, reageert Groenhuijsen fel. „Goed vallen en opstaan, letterlijk en figuurlijk, moeten kinderen thuis leren, van jongs af aan. Ga gewoon met je kinderen leven! Neem ze mee het bos in, laat ze fouten maken en daarvan leren. Zoek die kracht; stop overal experts op te zetten.”

Maar sommige ouders kunnen toch niet ‘gewoon’ met hun kinderen leven? „Dat valt vaak reuze mee. Natuurlijk zijn er ouders bij wie het niet allemaal meezit. Maar als ze dat zelfvertrouwen maar hebben, is er al veel gewonnen. Het hoeft niet allemaal perfect. Ouders hebben vaak veel liefde te geven. En juist door hun eigen problemen kunnen ze uitstralen hoe je met tegenslagen omgaat, ervan leert en er sterker uitkomt.”

Groenhuijsens boodschap aan hulpverleners is dan ook: ga niet de tekorten oplossen, maar bouw vanuit de kracht die mensen hebben. Leer ze op een eigen, constructieve manier met situaties om te gaan. In haar boek geeft Groenhuijsen ook handreikingen voor veerkrachtig opvoeden. Aan scheidende ouders die ruziën over hoe het nu moet met de kinderen, vraagt ze bijvoorbeeld: wat is je toekomstdroom voor je kind? Wat zou jij je kind willen meegeven? En wat zou je willen dat je ex aan je kind meegeeft? Groenhuijsen: „Dan blijkt heel vaak dat ze best op één lijn zitten.”

Ouders zelfvertrouwen geven: volgens Groenhuijsen kan dat heel goed via bijvoorbeeld inloopspreekuren bij Centra voor Jeugd en Gezin. Daar kunnen ouders met hun vragen terecht over uiteenlopende opvoedingsproblemen. Groenhuijsen: „Dan blijkt vaak dat datgene waar de ouders mee zitten, eigenlijk heel normaal is. Dat geeft zelfvertrouwen, en het etiket ‘probleemkind’ wordt vermeden. Ik vermoed sterk dat zo’n laagdrempelige aanpak uiteindelijk kostenbesparend is.”

Want, zo zegt ze, daardoor komen er minder gezinnen in de ‘zwaardere’ hulpverlening terecht, en blijft er daarvoor dus meer geld over.” Dat kun je bijvoorbeeld investeren in meer continuïteit: een duurzamere band tussen hulpverlener en gezin.”