Jan Decleir trekt geen wenkbrauw op

De Vlaamse televisie zendt vanavond een documentaire uit over de acteur Jan Decleir. „Hij verbergt in zijn acteren een groot verdriet. We weten alleen niet wat het is.”

„Ik ben geen terugkijker”, zegt de Vlaamse acteur Jan Decleir (1946). „De grijze man die ik nu ben, ziet opeens de jonge, krachtige Jan Decleir van lang geleden. Dat rakelt wel emoties op.” Tijdens de avant-première van de documentaire Hamlet is er al van Guido de Bruyn, zit de acteur achteraf in de immense zaal van bioscoop De Roma in de Antwerpse volkswijk Borgerhout. Decleir, die in deze wijk is opgegroeid, heeft bewust voor deze locatie gekozen, zoals hij na afloop in de foyer zegt. „De bioscoop dateert uit 1928. De affiches met filmhelden als Gary Cooper en Marlon Brando hangen er nog. Voor mij bezit deze ruimte mythische allure.”

De documentaire toont historische beelden van Decleir als beginneling bij Studio Herman Teirlinck en van zijn gloriejaren bij de politieke theatergroep Internationale Nieuwe Scène, waar hij doorbrak met zijn rol in Dario Fo’s Mistero Buffo. Decleir, in de jaren zeventig, draagt een sjaaltje, heeft weelderig krullend haar. De jonge Decleir zegt: „Alle theater is politiek”. De oude Decleir zegt na afloop dat hij nu ongelukkig is met deze formulering. „Het moet geen plat pamflettisme worden; een voorstelling moet ruimte bieden aan de eigen gedachtes van de toeschouwer. Ik zou nu zeggen: alle theater moet maatschappelijk betekenis hebben, in die zin dat het de toeschouwer op nieuwe gedachtes kan brengen. Met een voorstelling als Mistero Buffo waren we ook niet eenduidig; we zochten naar een combinatie van magie en politiek.”

Aanvankelijk wilde Decleir beeldhouwer worden. Op jonge leeftijd meldt hij zich aan bij de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Schilder Fred Bervoets, die hem uit die periode kent, ziet een gelijkenis tussen de acteur en de beeldhouwer. In de documentaire zegt hij dat „Decleir een plastisch toneelspeler is, iemand naar wiens bewegingen en mimiek je altijd kijkt”. Dat Decleir koos voor het toneel heeft te maken met zijn broer die ook acteur was en op jonge leeftijd overleed. In de documentaire zien we voor het eerst beelden van de beide broers op de speelvloer. Volgens Decleir nu heeft hij aan zijn broer „een groot geschenk te danken, namelijk de liefde voor het theater die vooral een liefde voor het woord is”.

Regisseur De Bruyn is op zoek gegaan naar ‘het geheim’ van Decleirs speelkunst. Hij interviewt Decleirs acterende dochters Reinhilde en Sofie, actrice Els Dottermans en filmregisseur Mike Van Diem die Decleir de rol van tirannieke vader gaf in Karakter, de film die in 1998 een Oscar kreeg. Van Diem wijst op de „leegte” in Decleirs oogopslag. In een close-up uit Karakter zien we wat de filmregisseur bedoelt: Decleir maakt niet de geringste beweging, knippert niet, trekt geen wenkbrauw op. Decleir zelf citeert met instemming een uitspraak van Adriaan van Dis: „Decleir verbergt in zijn acteren een groot verdriet. We weten alleen niet wat het is.”

In de foyer onthult hij iets van dat zogenaamde „lege” acteren: „Je moet in de scène geen tranen pompen, dat is misbruik. Ik denk ook niet, zoals veel acteurs die geloven in het method acting, aan een heftige gebeurtenis van vroeger, zoals de dood van mijn moeder. Dan kun je evengoed het vijfjarige jongetje in herinnering roepen dat zijn ijsje niet krijgt. Het zijn geen bronnen, wel ervaringen. Ik maak ook gebruik van mijn fantasie. Als ik door de stad loop beeld ik me in dat ik ontvoerde meisjes red en daarvoor beloond word. Dat is ook een vorm van acteren. Uit die fantasieën put ik voor mijn rollen, alleen niemand die het weet.”

Decleir is vaak vergeleken met Robert De Niro. „Maar Gérard Depardieu is me dierbaarder”, zegt hij. „De Niro laat zich door emoties meeslepen en gaat op in zijn rol. Hij is onbenaderbaar op de filmset. Geef mij Depardieu; die rookt een sigaretje, kletst en rommelt wat met actrices en komt op. En het is meteen goed. Dat is het hogere acteren.”

Tijdens het gesprek vragen een paar bewonderaars Decleir om een handtekening. Waar zou hij staan in Orson Welles’ indeling in King Actors, Star Actors en Good Actors? Hij glimlacht nauwelijks zichtbaar als hij zegt: „De King Actor is te groot, die moet weg. Marlon Brando is er zo een. Die eist alle aandacht op. De Good Actor is overal inzetbaar, maar leidt zelf een grijs muizenbestaan. Zoals Peter Sellers. Dan heb je de Star Actor die een miljoenenpubliek trekt. Zo iemand ben ik niet, helaas voor de regisseurs en producenten. Dus ben ik misschien toch wel die versmade King Actor.”

Vanavond op Canvas, 22.10 - 23.05 uur. En 28 september op het Nederlands Film Festival in Utrecht. Inl: www.filmfestival.nl