Instinctief begreep ik dat ik me moest schikken

In dit fragment beschrijft Natascha Kampusch hoe zij na haar ontvoering voor het eerst de kelder ziet waar zij de komende jaren opgesloten zal zitten.

Ik weet niet hoe ik had gereageerd als ik toen had geweten dat deze kamer 3.096 dagen lang mijn toevluchtsoord en gevangenis zou zijn. Als ik er nu op terugkijk, weet ik alleen dat het idee dat ik daar de nacht moest doorbrengen een bepaald mechanisme in werking zette dat me misschien wel het leven heeft gered, maar ook gevaarlijk was. Wat ooit ondenkbaar had geleken, was nu een feit: ik zat opgesloten in de kelder van een misdadiger en zou in elk geval vandaag niet meer vrijkomen. Het leek alsof mijn wereld was gekanteld en de werkelijkheid een klein beetje was veranderd. Ik moest aanvaarden wat er was gebeurd en me naar de nieuwe situatie schikken, in plaats van verontwaardigd de strijd aan te gaan. Een volwassene beseft dat je een stukje van jezelf kwijtraakt als je je naar omstandigheden moet schikken waarvan je je tot dan toe geen voorstelling hebt kunnen maken. Er ontstaat een scheur in het fundament waarop je je leven hebt gebouwd, maar toch is aanpassen de enige juiste reactie. Daardoor kun je overleven. Een kind reageert intuïtiever. Ik was geïntimideerd, ik verzette me niet en begon mezelf al aan te passen – in elk geval voor één nacht.

Nu ik erop terugkijk, vind ik het bijna onvoorstelbaar om te zien hoe snel mijn paniek plaatsmaakte voor een zeker pragmatisme. Ik begreep al heel snel dat smeken geen zin had en dat elk woord van deze onbekende af zou glijden. Instinctief begreep ik dat ik me naar de situatie moest schikken om een eindeloze nacht in deze kelder te kunnen overleven.

Nadat mijn ontvoerder de brits van de wand had gehaald vroeg hij me wat ik nodig had. Het was een absurde situatie, alsof ik zonder toilettas in een hotel was beland. ‘Een haarborstel, een tandenborstel, tandpasta en een beker. Een yoghurtbeker is goed genoeg.’ Ik functioneerde.

Hij legde uit dat hij nog even naar Wenen moest rijden om uit zijn woning daar een matras te halen.

‘Is dit jouw huis?’ vroeg ik, maar ik kreeg geen antwoord. ‘Waarom kun je me niet naar je woning in Wenen brengen?’

Dat leek hem te gevaarlijk, vanwege de dunne muren, de oplettende buren, ik zou kunnen gaan schreeuwen. Ik beloofde dat ik kalm zou blijven als hij me maar naar Wenen zou brengen. Maar het had geen zin.

Op het moment dat hij achteruit de kelder verliet en de deur op slot deed, leek mijn strategie om te overleven niet meer te werken. Ik zou er alles voor over hebben gehad om ervoor te zorgen dat hij zou blijven of me mee zou nemen; alles om maar niet alleen te hoeven zijn.