Dicht bij God in verzetsmuseum Hezbollah

De ‘cederrevolutie’ is voorbij en Syrië maakt een comeback in Libanon. Het buurland voelt zich sterk genoeg om te proberen meer greep op Hezbollah te krijgen ten koste van Iran.

In Burj Abi Haj-dar zijn de verse kogel- en granaatinslagen makkelijk te onderscheiden van de oude, uit de Libanese burgeroorlog (1975-1990) en andere gewapende conflicten. De kapper op de hoek heeft vandaag net het kapot geschoten etalageglas vervangen. Urenlang heeft hij doodsbang plat op de grond gelegen, vertelt hij, terwijl strijders van de shi’itische organisatie Hezbollah en de sunnitische militie Al-Ahbash elkaar twee weken geleden buiten op straat te lijf gingen.

Pantservoertuigen van het Libanese leger waken nu over de veiligheid. Regeringsmilitairen staan er bovenop te poseren voor een Libanese tv-presentatrice.

Aanleiding voor de schietpartij in West-Beiroet was de moord op twee Hezbollahfunctionarissen. Binnen enkele minuten hadden tientallen jonge mannen met automatische wapens en granaatwerpers positie gekozen en het vuur geopend.

„Meer dan honderd”, zegt de kapper, terwijl hij een klant nog korter knipt. Overal uit de buurt werden versterkingen aangevoerd. Zomaar midden in de stad.

Het was „een toevallig incident, een persoonlijke ruzie” die tot de schietpartij leidde, verzekert arts en parlementslid Farhat Bilal van Hezbollah in zijn kliniek in Zuid-Beiroet. Maar in Libanon is er niemand die dat gelooft. De meeste analisten en politici zien het als een geregisseerd onderdeel van een Syrische inspanning meer greep te krijgen op het machtige Hezbollah, ten koste van diens andere steunpilaar, Iran. De sunnieten van Al-Ahbash, die op straat in de aanval gingen, worden al jaren door Syrië betaald.

Syrië maakt een comeback in Libanon. De optimistische ‘cederrevolutie’ van 2005 is helemaal voorbij. Na de onmiddellijk aan Damascus toegeschreven moord op de sunnitische ex-premier Rafiq Hariri dwongen honderdduizenden betogers, met Amerikaanse hulp, president Bashar al-Assad zijn bezettingsleger uit het kleine buurland terug te trekken. Onder de anti-Syrische regering die daarna aan de macht kwam, zou in Libanon democratie uitbreken.

Maar de christelijke, shi’itische, sunnitische en druzische families die al tientallen jaren met ijzeren hand hun sektes regeerden, zorgden er wel voor dat democratie op afstand bleef. Syrië op zijn beurt behield invloed via vrienden in de inlichtingendiensten en met name Hezbollah. Door niet te verliezen won de shi’itische militie de bloedige oorlog van 2006 tegen Israël en werd zij de dominante macht in Libanon.

Dat was het moment waarop de Libanese politieke leiders zich weer op Syrië begonnen te oriënteren. Inmiddels met steun van Damascus’ oude vijand Saoedi-Arabië, dat koste wat het kost de invloed van Iran wil indammen, en getolereerd door Amerika, dat machteloos toekijkt. Het Syrische leiderschap voelt zich nu sterk genoeg om wat afstand tot Iran te nemen, zonder overigens aan een breuk te denken.

Hoog in de bergen in Zuid-Libanon toont Hezbollah zijn macht in zijn nieuwe verzetsmuseum in Mlita. een gangen-en-grottenstelsel van waaruit de militie tegen het Israëlische leger vocht – van zijn invasie in 1982 tot de terugtrekking in 2000 en in de oorlog in 2006. Het heeft er tankwrakken opgesteld die Israël achterliet en mobiele raketten voorzover de wereld mag weten dat het ze heeft.

„Een adembenemende plaats”, zucht parlementslid Farhat Bilal. „Je bent er zo dichtbij God.” Ondanks de wapens: „Die zijn een werktuig om te leven. Je moet jezelf beschermen. Zij bezetten jouw land en jij bezet niemands land.”

Vandaag, een doordeweekse dag tijdens de vastenmaand ramadan, zijn er geen andere bezoekers. Maar volgens museumwoordvoerder Rami Hasan zijn er sinds de opening in mei al meer dan 600.000 jihad-toeristen geweest. Bij het museum is een motel in aanbouw. Er komen nog een kabelbaan naar een vroegere Israëlische positie op een andere top en een kunstmatig meer. „Wie ons museum heeft bezocht beseft dat we goed georganiseerd zijn. Anders hadden de Libanezen hetzelfde lot ondergaan als de Palestijnen, van wie zo velen in kampen zitten opgeborgen.”

„Ik heb hier in dertig jaar nooit een dergelijk publiek project gezien”, zegt de Turk Timur Goksel, van 1979 tot 2005 woordvoerder en adviseur van de VN-vredesmacht UNIFIL in Zuid-Libanon. „Maar ik heb tegen hen gezegd: als er een nieuwe oorlog komt, is dit het eerste dat de Israëliërs zullen platgooien. Zij zeiden: geeft niets, dan bouwen we het opnieuw op.”

Israël zei in 2006 dat het Hezbollah wilde vernietigen. Maar volgens Goksel is er geen sprake van dat Hezbollah zelfs maar verlamd werd. En internationale opdrachten tot ontwapening werden (en worden) genegeerd. „Als het staakt-het-vuren om acht uur inging, arriveerden de eerste vrachtwagens met nieuwe wapens om negen uur. Dit keer zag ik het niet zelf, maar ik zag hetzelfde gebeuren in 1993 en 1996.”

UNIFIL en het Libanese leger zijn niet in staat dat te verhinderen. „De wapensmokkelaars zijn zo goed, de meeste dorpelingen merken er ook niets van. Tot 2006 hadden UNIFIL en Israël er geen idee van dat Hezbollah ondergrondse steden groef tot vlak aan de grens. En het Libanese leger wil niet de indruk wekken dat het iets doet in opdracht van Israël Dat is de grootste misdaad in Libanon.”

Niet alle shi’ieten zijn Hezbollah, zegt Goksel. In Hezbollah-bolwerk Dahiyeh in Zuid-Beiroet, door Israël in 2006 platgegooid en met Hezbollah-geld grotendeels weer opgebouwd, bevestigt kleermaker Nassif Shihab dat. „We moeten van Hezbollah houden. Dat is in ons belang. Je kunt niet buiten je sekte treden.” Goksel zegt: „Zodra ze zich door Israël bedreigd voelen, zijn ze allemaal Hezbollah.”

Oproepen tot demilitarisering van Beiroet na de straatgevechten in Burj Abi Hajdar hebben Hezbollah in de hoofdstad in het defensief gebracht, concluderen analisten in Beiroet. Maar in het zuiden blijft de militie onaantastbaar. Ook Syrië houdt alle belang bij een sterke verzetsmacht aan de grens met vijand Israël.