Bijbel en blote meiden

‘Met de Bijbel heb ik niets”, hoorde ik een paar weken geleden de interviewer Jelle Brandt Corstius in zijn televisieprogramma Zomergasten zeggen. Nu, als hij niets met de Bijbel heeft, dan heeft hij heel weinig met de Nederlandse cultuur en, meer in het bijzonder, met de Nederlandse taal. Want die zijn doordrenkt van de Bijbel. Je hoeft helemaal niet gelovig te zijn om dat te weten.

Daarom weet ik waarom hij ook faalde als interviewer van Maarten ’t Hart – althans: niet uit hem haalde wat er in hem zit – want die schrijver heeft weliswaar radicaal gebroken met het geloof van zijn gereformeerde vaderen, maar zijn werk is er nog vol van. Hij kent de Bijbel door en door. Anders zou hij dat boek niet zo kundig hebben kunnen demonteren.

Dit zeggende diskwalificeer ik Jelle B. C. niet als interviewer. Zijn reportages over het Rusland van vandaag – Van Moskou tot Moermansk en andere – waren superieur. Maar ik vraag me wél af of hij gekwalificeerd is voor interviews met mensen uit de Nederlandse cultuur.

De gewraakte woorden – „Met de Bijbel heb ik niets” – vielen in het interview met de filmmaker Paul Verhoeven, die een fascinerende man bleek te zijn. Ik had natuurlijk wel van hem gehoord en ook een Amerikaanse film van hem gezien, waarin, zoals hijzelf zei, „veel blote meiden” voorkwamen.

Nu kijk ik graag naar blote meiden, wanneer die mijn pad kruisen (wat niet zo vaak voorkomt). Dat wil zeggen: ik ben niet als Kees van Kootens onsterfelijke ‘vieze man’. Politiek correct gezegd: ik heb geen bezwaar tegen bloot, mits het ‘functioneel’ is, en dat was het in die Amerikaanse film.

Zijn Nederlandse film Zwartboek heb ik niet willen zien, omdat het een film over de bezettingstijd is, en die tijd heb ik zelf meegemaakt. Paul Verhoeven als kind ook, maar ik ben twintig jaar ouder. Daardoor heb ik altijd opmerkingen als ‘Dit soort hoeden droegen ze toen niet’ of ‘Zo lang lieten de mannen hun haar niet groeien’. Dit soort opmerkingen hoeven het wezen van de film natuurlijk niet te raken en zijn dan, hoewel misschien juist, niet billijk. Dat had ik ook met de Soldaat van Oranje (ook van Verhoeven), waarvan ik de hoofdfiguur, die een jaar jonger dan ik was in het Leidsch Studenten Corps, gekend heb – zij het oppervlakkig.

Hij was helemaal niet zo’n actief corpslied als hij wel afgeschilderd wordt. Hij was meer wat we toen noemden een ‘ Haagse jocco’ (Ewoud Sanders moet de etymologie van dit woord maar eens uitzoeken). Dat wil zeggen: hij hing meer rond in het nabije Den Haag en Scheveningen. Het Leidse corps vond hij, geloof ik, maar kinderspel, en dat was het ook. En natuurlijk doet dat niets af aan zijn latere heldenrol, waaraan ik niet kan tippen.

Maar waarom vond ik Verhoeven fascinerend? Hij bleek bezeten te zijn van de figuur van Jezus, waarover hij, zoals hij zei, wel duizend boeken had gelezen en er zelf ook een had geschreven. Daarom hoef je nog niet gelovig te zijn, en ik weet niet of Verhoeven dat is. De Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago was ook niet gelovig (hij was communist) toen hij zijn Het evangelie volgens Jezus Christus schreef.

Hier zou ik de filosoof Leszek Kolakowski kunnen aanhalen: „Een niet-christen heeft niet alleen het recht zich met zorg vragen te stellen over de vorm van het christendom en zijn toekomst, hij heeft ook de plicht erover te denken. Het christendom is immers deel van onze gemeenschappelijke erfenis, en volledig niet-christen te zijn zou betekenen dat wij ons buiten die cultuur sloten.”

Was Kolakowski zelf christen of althans gelovig? In een interview werd hem eens die vraag gesteld, maar hij weigerde zich daarover uit te laten. Hij vond dit, terecht, niet ter zake doende. De Russische filosoof Leo Sjestov, die ook prachtige essays over het geloof en gelovigen (als Blaise Pascal) geschreven heeft, zei eens: „Ik ben niet gelovig: het is een van mijn zwakheden.”

Wie over Jezus praat, komt algauw, tenzij hij vrijzinnig is, over ‘het kwade’ te spreken, en datgebeurde ook in het interview met Verhoeven. Het is een begrip dat niets te maken heeft met het onderscheid tussen goed en slecht. Het kwade is niet een uitvergroting van het onethische, is dus niet in beginsel verbeterbaar.Kolakowski noemt het de „menselijke onvolmaaktheid”. We kunnen het ook het menselijk tekort noemen. Dat is, zegt hij niet ‘contingent’ (toevallig), maar ‘intrinsiek’ (wezenlijk, eigen aan de mens).

Dit zijn begrippen die de Verlichting en haar erfgenamen, die in Nederland grotendeels de media beheersen – en minder goed dan ze zelf denken – totaal vreemd zijn. Jelle B. C. is zo’n erfgenaam. Wanneer hij weer eens iemand als Paul Verhoeven of Maarten ’t Hart interviewt, moet hij toch eerst zijn huiswerk nog beter doen.

Hij is dat bijna verplicht aan de voornaam die zijn ouders hem bij zijn geboorte gegeven hebben, want die is dezelfde als die van de toentertijd populaire gereformeerde minister van Financiën en latere president van De Nederlandsche Bank, Zijlstra.