Wetenschapper mag best een foutje maken

De opwinding over de fouten in het klimaatrapport zegt wat over hoe ideologisch het klimaatdebat is geworden.

Een filosofisch dilemma over wetenschap en waarheid.

Smelten de gletsjers nu wel of niet, en lopen alle Nederlanders nu straks wel of niet in natte sokken rond? In het rapport van het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties, stond van wel – maar het blijkt van niet.

Over die fouten is intussen een halfhysterisch sfeertje ontstaan.

Het begon met minister Cramer (Milieu, PvdA), die toen de fouten in het rapport in februari aan het licht kwamen, al meteen zei dat ze ‘diep verontrust’ was en dat ‘het vertrouwen in de wetenschap en de politiek een deuk heeft opgelopen’. Ja, de politiek noemde ze in één adem met de wetenschap, omdat ‘ik mijn beleid baseer op wetenschap’. En dan had ze nu dus een dik probleem. Terwijl het eigenlijk ging om kleine fouten (behalve voor gletsjers en Nederlanders), die aan de hoofdconclusies van het rapport niets afdeden.

De vlam sloeg opnieuw in de pan toen een commissie onder leiding van de fysicus Robbert Dijkgraaf vorige week met zijn conclusies kwam. Inderdaad, de IPCC had fouten gemaakt en moest de organisatie flink aanpassen, vond de commissie. Op televisie doken direct politici op die raasden over de ‘manipulatie’ en de ‘jokkebrokkerij’ van de klimaatwetenschappers. Het ging nog steeds maar om een paar fouten in een rapport van vierduizend pagina’s. Maar, zoals Twan Huys in Nova ook al diep verontrust uitriep tegen Dijkgraaf: „Welke hoofdconclusie kunnen we nu nog vertrouwen?”

Al die opwinding toont om te beginnen aan, hoe ideologisch beladen het klimaatdebat is geworden. Sinds Al Gore (die door George Bush senior al spottend ‘de ozon-man’ werd genoemd) de aftrap gaf met zijn apocalyptische film, is het klimaat het brandpunt van een propagandaoorlog tussen linkse en rechtse ideologen. Die maken elkaar met dank aan het klimaat uit voor rechtse schoorsteenrokers respectievelijk voor huilerige linkse gletsjersmelters.

Maar op de achtergrond speelt iets principiëlers. Welk beeld van wetenschap hebben deze kampen? Aanhangers van Al Gore zweren trouw aan de ‘consensus’ over de feiten onder klimaatwetenschappers; klimaatsceptici zien in die consensus juist een complot van politiek correcte onderzoekers. Minister Cramer meent intussen dat wetenschap die ook maar één steekje laat vallen, al is die nog zo klein, beschadigd is als wetenschap. Maar wat alle partijen gemeen hebben, is het idee dat de wetenschap absoluut uitsluitsel moet geven.

Daaruit rijst een archaïsch beeld op van wetenschap dat door bijna geen wetenschapper nog serieus wordt genomen. Namelijk het beeld van wetenschap als een onfeilbaar bedrijf, of als een kerk waar priesters met bètadiploma de waarheid aflezen aan het hemeldak. Langzaam maar zeker ontcijferen deze helden van de rede de geheimen van het universum, met methodes die voor ons gewone stervelingen onbegrijpelijk zijn.

Vandaar de eerbiedige blik op het gezicht van politici (en Journaallezers) als ze zeggen dat ‘wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat…’ En vervolgens de diepe wanhoop als blijkt dat er ‘fouten’ zitten in een wetenschappelijk rapport. Dan stort de wereld in! „Hoe heeft het zó fout kunnen gaan?” vroeg Twan Huys bijna smekend. Aan een wetenschapper natuurlijk, aan wie anders?

Die overspannen verwachtingen zijn het gevolg van de spectaculaire successen die vooral de natuurwetenschappen hebben geboekt. Door empirisch onderzoek (experimenten) te combineren met wiskundige methodes slaagde de moderne fysica er vanaf de zeventiende eeuw in verschijnselen te verklaren waar antieke en middeleeuwse denkers hun tanden op hadden stukgebeten. De bewegingswetten van Newton zetten het complete wereldbeeld van Aristoteles, dat de wetenschap eeuwen had beheerst, op losse schroeven. Sindsdien is het steeds harder gegaan, tot en met de relativiteitsleer en kwantumfysica.

Zulk succes imponeert. Maar het bleek ook te wérken. Het moderne leven is niet denkbaar zonder de praktische resultaten van wetenschappelijk onderzoek, van alle revolutionaire medische inzichten tot productieprocessen, communicatietechnieken en kernenergie. Geen wonder dus dat mensen een heilig ontzag voor wetenschap hebben gekregen, nog eens versterkt door filosofen als de positivist Auguste Comte, die meende dat de mars van de wetenschap de mensheid onstuitbaar naar totale vrijheid zou voeren.

De ironie is, dat het zelfbeeld van de moderne wetenschap intussen steeds minder absoluut en autoritair is geworden. Moderne wetenschappers hebben juist een open oog voor de feilbaarheid van hun theorieën. Newton is ook alweer lang achterhaald. Maar maakt dat zijn prestaties minder waardevol? De crux van wetenschap is nu juist dat met vallen en opstaan, trial and error, vooruitgang in kennis wordt geboekt. In tegenstelling tot de oude metafysica, die dingen ‘voor eens en voor altijd’ zeker meende te weten.

Daarnaast is het harde onderscheid dat veel bewonderaars van wetenschap maken tussen ‘objectieve’ feiten (die de wetenschap vaststelt – just the facts, ma’am!) en ‘subjectieve’ waarden (wat we mooi, goed of belangrijk vinden) door steeds meer filosofen ondergraven. Feiten en waarden zijn innig met elkaar verstrengeld, wat al blijkt uit omschrijvingen als een ‘elegante’ theorie, of een ‘mooie’ verklaring. Wat we ‘harde feiten’ noemen, of als zodanig laten gelden, wordt intussen ook beïnvloed door de manier waarop we de werkelijkheid benaderen: met welk doel, en met welke theorie. Het universum dicteert niet domweg wat we moeten opschrijven, maar onze eigen motieven, overtuigingen en waarden spelen daar ook een rol in. Observaties zijn, zoals het heet, ‘theoriegeladen’.

Nu wordt het ingewikkeld. Want dat wil niet zeggen dat wetenschap ‘ook maar een geloof’ is, zoals CDA’ers graag beweren. Het toetsen van een theorie in een laboratorium blijft iets anders dan proefondervindelijk bidden. Maar wel dat het mensenwerk is. Dat blijkt al uit de hardnekkige manier waarop theorieën heel lang ‘tegen de feiten in’ worden verdedigd. De filosoof Karl Popper dacht dat wetenschappers zoveel mogelijk moesten proberen hun eigen theorieën te weerleggen (de befaamde ‘falsificatietheorie’) maar dat gaat in de praktijk niet op. Wetenschappers proberen juist zo lang mogelijk vast te houden aan een geliefde (ook al zo’n subjectief woord) theorie, tot het écht niet meer kan. De historicus Thomas Kuhn liet in zijn beroemde boek The structure of scientific revolutions bijvoorbeeld zien dat het afscheid van de middeleeuwse astronomie meer een kwestie was geweest van een kruik die zolang te water ging tot hij barstte, dan van logica of rationeel debat.

Latere filosofen trokken daar dan weer heel radicale conclusies uit, zoals Paul Feyerabend, die meende dat er helemaal geen wetenschappelijke methode bestond en dat in de praktijk ‘anything goes’. En de socioloog Bruno Latour onderzocht allerlei antropologische en sociale factoren die in de wetenschap meespelen: menselijke neigingen, groepsdruk, geldzorgen. Van deze Latour stamt ook de mooie gedachte dat waarheid niet meer is dan ‘een hypothese die te duur is om te weerleggen’. Wetenschap is kortom geen geloof, maar ook geen spijkerharde feitenfabriek. Ook wetenschap is een sociale ‘constructie’.

Dat laatste wordt meestal gezien als een ‘linkse’ opvatting: dé waarheid bestaat niet, maar er worden waarheden ‘geconstrueerd’. Stoere rechtse mannen (en vrouwen – model Sarah Palin) zeggen dan pal te staan voor de enige echte Waarheid.

Het opvallende is nu, dat in het klimaatdebat juist de ‘rechtse’ klimaatsceptici de lessen van Latour over de sociale constructie van wetenschap beter blijken te begrijpen dan de vriendenclub van Al Gore: wetenschap is (ingewikkeld) mensenwerk, en dus onderhevig aan sociale druk en aan groepsdenken. Terechte observaties, die de fouten in het IPCC-rapport kunnen verklaren.

Alleen, volgens de meest fanatieke onder hen, zoals je die in Amerika kunt vinden, gaat het daarbij dus niet om onschuldige fouten, onbewuste sociale en psychologische processen of om de begrijpelijke neiging zolang mogelijk zoveel mogelijk feiten in een theorie te ‘proppen’. Nee, het gaat volgens hen om welbewust bedrog – we worden voorgelogen door een linkse kerk die ons een schuldgevoel probeert aan te praten terwijl de schoorstenen moeten roken, en die eigenlijk gewoon wil dat we meer belasting gaan betalen voor nutteloze ‘groene’ padvindershobby’s.

Dat past in het paranoïde wereldbeeld van de zogeheten culture wars tussen links en rechts, en van complotdenkers die in elke drukfout in de krant een verborgen boodschap zien. In Amerika wordt die culturele oorlog al jaren hevig, maar ook in Nederland zijn er tekenen van te zien: je bent voor ‘het klimaat’ (en windmolens, moslims, de publieke omroep, en hogere belastingen) of je bent daar allemaal tégen. Het zijn twee wereldbeelden tegenover elkaar, waarin alles aan elkaar wordt geknoopt.

En toch: ook de meest fanatieke klimaatsceptici zitten heimelijk vast aan het ouderwetse, autoritaire beeld van wetenschap dat de verongelijkte minister Cramer hanteerde. Want wetenschap, zeggen ook zij, mág geen fouten maken, mag niet liegen en bedriegen – alles moet ‘kloppen’.

Nee, inderdaad, bedrog mag niet – ook niet in de wetenschap.

Maar een wetenschap waarin alles voor eens en voor altijd ‘klopt’, dat is een illusie.