Voor gemak wil je wel betalen

Vervolg van de vorige pagina

Dit was allemaal onvermijdelijk. Het is de kapitalistische cyclus. Het is het verhaal van industriële revoluties – en uiteindelijk het verhaal van de strijd om controle. Technologie wordt uitgevonden, het verspreidt zich, laat duizend bloemen bloeien en dan vindt iemand een manier om het in bezit te krijgen en anderen uit te sluiten. Dat gebeurt telkens weer.

Neem de spoorwegen. Uniforme en open standaarden voor spoorbreedte zorgden voor een enorme opleving van het vervoer per spoor en een explosie aan spoorwegmaatschappijen. In 1920 waren er in de VS 186 grote spoorwegnetwerken. Maar uiteindelijk rolden de sterksten de zwakkeren op. Tegenwoordig zijn het er nog maar zeven – een gereguleerd oligopolie.

Of neem telefonie. De uitvinding van het schakelbord is een ander voorbeeld van een open standaard die ervoor zorgde dat netwerken op elkaar konden inhaken. Toen de telefoonpatenten van het moederbedrijf van AT&T in 1894 afliepen, schoten er meer dan zesduizend onafhankelijke telefoonbedrijven uit de grond. Maar in 1939 controleerde AT&T bijna alle lange-afstandslijnen van de VS en ongeveer viervijfde van de telefoons.

In werkelijkheid wordt er bijna nooit een fortuin verdiend zonder een of andere vorm van monopolie, of in ieder geval oligopolie.

Dit is de natuurlijke loop van industrialisatie: uitvinding, verspreiding, adoptie, controle.

Openheid is een prachtig verschijnsel, maar uiteindelijk blijkt onze tolerantie voor de dronkenmanschaos van onbeperkte concurrentie beperkt. Hoeveel we ook van vrijheid en van keuzes houden, we houden ook van dingen die het gewoon doen: betrouwbaar en naadloos. En als we moeten betalen voor waar we van houden, nou, dan vinden we dat steeds vaker wel best. Onlangs nog je telefoon- of internetrekening bekeken?

Waarom duurde het zo lang? Waarom werd het wereldwijde web niet al tien jaar geleden door monopolisten gekoloniseerd?

Omdat het toen in zijn puberteit zat, zich nog regelmatig vernieuwde met een frisse en groeiende populatie aan gebruikers die altijd weer naar iets nieuws op zoek waren. Dominantie in het netwerk duurde nooit lang. Friendster (een voorloper van Facebook, red.) was al razend populair toen de sociale netwerken nog in de kinderschoenen stonden. Grillige consumenten experimenteerden enthousiast met nieuwe dingen. En dan vonden ze een andere hippe dienst en waren weer vertrokken, net zoals ze vóór Friendster al iets anders hadden geprobeerd.

Inmiddels is het web achttien jaar oud. Het is volwassen. Een hele generatie is opgegroeid achter een browser. Een ontdekkingsreis in een nieuwe wereld is een normale zaak geworden. Het web is er. Het is deel van ons leven. En we willen gewoon de diensten gebruiken die het leven beter maken. Onze honger naar ontdekkingen neemt af naarmate onze bekendheid met wat er is toeneemt.

Zo zit de mens in elkaar. Hoezeer we in theorie openheid ook waarderen, aan het einde van de dag geven we de voorkeur aan de gemakkelijkste weg. We zijn bereid te betalen voor gemak en betrouwbaarheid. Daarom kan iTunes liedjes verkopen voor 99 dollarcent, hoewel die liedjes nog steeds online ergens, in een of andere vorm, gratis te krijgen zijn. Als je jong bent, heb je meer tijd dan geld, en is LimeWire het gedoe nog waard. Word je ouder, dan heb je meer geld dan tijd.

Onze gemakzucht betreft niet het onderliggende internet zelf. Dat vinden we goed genoeg. We staren liever naar bufferende harde schijven terwijl een YouTube-video laadt, dan dat we ingaan op een of andere onbegrijpelijke breedbandaanbieding van een telecomaanbieder, waar we als puntje bij paaltje komt toch weer meer voor betalen dan we hadden gedacht.

Maar het web is een ander verhaal. Het marktplein heeft gesproken: als het gaat om de toepassingen die óp dat internet draaien, kiezen mensen steeds meer voor kwaliteit. We willen Tweetdeck om onze Twitterfeeds te organiseren omdat het handiger is dan de webpagina van Twitter. De mobiele app van Google Maps op onze telefoon in de auto doet het beter dan de Google Maps-website op onze laptop. En we leunen liever achterover met een boek op onze Kindle of iPad dan dat we voorover leunen om naar onze desktopbrowser te staren.

Voor wat betreft toepassingen is het open internet altijd al fictie geweest. We zagen het alleen niet – omdat we het web en het net door elkaar haalden. De opkomst van communicatie van apparaat-naar-apparaat – iPhone-apps die met Twitter API’s praten – gaat volledig over controle. Elke API komt met gebruikersvoorwaarden. En Twitter, Amazon.com, Google en elk ander bedrijf kan bepalen hoe die voorwaarden er uitzien.

Iedere keer dat je een iPhone-app opent in plaats van een website, stem je met je vinger: ik ben bereid te betalen voor een betere gebruikerservaring.

In de mediawereld zie je dit terug in de verschuiving van met advertenties gesponsorde gratis content naar freemium: gratis samples als marketing voor betaalde diensten – met de nadruk op het betaalde gedeelte.

Lang werd aangenomen dat als de markt er rijp voor was, grote bedrijven geld zouden gaan verdienen met het wereldwijde web. Helaas, dat geldt niet voor het merendeel van het web – en er lijkt geen licht aan het einde van de tunnel. Dat verklaart de verschuiving naar het app-model op omgevingen als de iPad, waar beperkte gratis inhoud voor betaalde abonnees moet zorgen.

Het web zal de beslaglegging op zijn commerciële ruimte niet zomaar laten gebeuren. Verdedigers van het onbelemmerde web zetten in op HTML-5, de nieuwste code om het web te bouwen die een app-achtige flexibiliteit biedt. Hiermee moet aan het verlangen naar kwaliteit worden voldaan. Maar de zakelijke machten die zich achter gesloten gebruikersomgevingen hebben opgesteld zijn groot en worden groter. Velen zien dit als een strijd om de ziel van de digitale wereld.

Het idee van het web als dé plek voor digitale leveranties wankelt. Het internet is de echte revolutie, even belangrijk als elektriciteit: wat we er mee doen is nog steeds in ontwikkeling. Terwijl het zich van je desktop naar je broekzak verplaatste, is de aard van het internnet veranderd. De dronkenmanschaos van het open net was een puberfase, gesubsidieerd door industriële giganten die op de tast hun weg zochten in een nieuwe wereld. Nu doen ze waar ze het beste in zijn: knelpunten oplossen. En het lijkt erop dat wij het fantastisch vinden.

Dit is een ingekorte versie van Chris Andersons deel van het artikel ‘The Web is Dead. Long Live the Internet’ uit het septembernummer van Wired. Lees de volledige Engelstalige tekst via nrc.next/web