Sorry, dit kostte een paar bomen

Palmolie zit in talloze producten – een belangrijke oorzaak van ontbossing.

De herkomst is vaak onduidelijk. Unilever gaat er meer op letten.

Zwartgeblakerde boomstronken zover je kunt zien, sommige met een diameter van bijna een meter. Tussendoor zijn kleine oliepalmen aangeplant. Dit is een plantage op Sumatra van Duta Palma, een van de grootste palmoliebedrijven van Indonesië. Vorig jaar woedde hier een bosbrand. De oorzaak is nooit achterhaald, maar de inwoners van het dorp zeggen dat het bedrijf erachter zat.

En de boskap gaat door. In de verte is te zien hoe graafmachines een kanaal graven om de bodem te draineren; oliepalmen groeien beter op wat drogere grond. Binnenkort zal het bedrijf waarschijnlijk iemand uit het dorp betalen om de grond stiekem in de fik te steken – en vervolgens zeggen dat het een ongeluk was. Zo gaat het steeds als het bedrijf weer een paar honderd hectare uitbreidt, zeggen de dorpelingen.

Zoals in Kuala Cenaku gaat het op honderden plekken in Indonesië. Oerwoud maakt plaats voor oliepalmplantages of acacia’s (voor de papierproductie). Vaak met toestemming van de regering, die concessies afgeeft. De bedrijven beweren dat de bossen toch al in verval waren.

Met onderzoek ter plekke tonen milieuorganisaties het tegendeel aan. In Kuala Cenaku bijvoorbeeld liet Greenpeace al in 2007 zien dat de plantage was aangelegd op veenbos, dat volgens de wet beschermd had moeten worden.

Het probleem komt steeds vaker terecht op de bureaus van grote multinationals. Palmolie wordt voor allerlei producten gebruikt: van margarine en ijsjes tot lippenstift. Multinationals zijn daarmee een dankbaar doelwit van milieuorganisaties.

Dat ondervond bijvoorbeeld voedingsgigant Nestlé. Een spotje van Greenpeace waarin een vermoeide werknemer een ‘break’ neemt en in plaats van een Kit Kat een orang oetan-vinger in zijn mond steekt, werd op YouTube anderhalf miljoen keer bekeken. Nestlé kocht daarna geen palmolie meer van Sinar Mas, het grootste palmoliebedrijf van Indonesië en volgens Greenpeace „de grootste vernietiger van regenwoud”.

„Ontbossing is niet nieuw, maar het is de laatste twee jaar veel meer in de publiciteit”, zegt Marc Engel, directeur inkoop van Unilever, tijdens een interview in Singapore. Unilever gebruikt jaarlijks zo’n 1,4 miljoen ton palmolie voor zijn producten.

Bestuursvoorzitter Paul Polman kondigde onlangs aan dat Unilever een moratorium op ontbossing steunt, in navolging van de milieuorganisaties. Een tijdelijke stop op boskap maakt het mogelijk uit te zoeken welke bossen echt zó ver in verval zijn dat het net zo goed plantages kunnen worden – en welke bossen moeten worden beschermd.

Unilever lijkt zijn overtuiging kracht bij te zetten: het bedrijf schortte zijn contract met Sinar Mas al op vóór de Kit Kat-affaire van Nestlé. Het ging om 40 miljoen dollar (31 miljoen euro), goed voor 3 procent van Unilevers palmolie-inkoop. Dat deed het bedrijf na een vernietigend rapport van Greenpeace over Sinar Mas. „Die opschorting heeft internationaal voor een schokgolf gezorgd”, zegt Suzanne Kröger van Greenpeace. „Dat zo’n groot contract publiekelijk wordt stopgezet, is uniek.”

Na het Greenpeace-rapport verloor Sinar Mas meer grote klanten. Het bedrijf deed intern onderzoek naar ontbossing. Maar de resultaten daarvan, die vorige maand bekend werden, konden de meeste afnemers niet overtuigen. Unilever koopt nog steeds niet in bij Sinar Mas.

Op dit soort acties hoopte de Amerikaanse wetenschapper Bill Laurance van het Smithsonian Institution, toen hij twee jaar geleden een artikel schreef over hoe multinationals een rol kunnen spelen in de bescherming van regenwoud. Laurance signaleerde dat ontbossing steeds vaker wordt veroorzaakt door grote bedrijven zoals Sinar Mas en Duta Palma, in plaats van door lokale bewoners.

Aan de ene kant versnelt dat de kap, want nu gebeurt het op industriële schaal. Anderzijds biedt het ook meer mogelijkheden om druk uit te oefenen. Want die grote bedrijven verkopen aan multinationals die zich moeten verantwoorden tegenover aandeelhouders en klanten.

Dit mechanisme begint te werken. „Milieuorganisaties slagen er steeds beter in de link te leggen tussen wat er in het bos gebeurt en Kit Kat of douchegel van Dove”, zegt Kröger van Greenpeace. „Voor het eerst staan bedrijven zo onder druk, dat ze hun hele productlijn doorlichten op zoek naar ontbossing.”

Toch kan ook Unilever niet zeggen dat zijn producten ‘ontbossingsvrij’ zijn. Want hoewel Sinar Mas van de leverancierslijst is geschrapt, kan palmolie van dit bedrijf indirect nog steeds in de Vaseline of Blue Band terechtkomen. Oliepalmplantages leveren aan tussenhandelaren, die de olie van duurzame en niet-duurzame producenten bij elkaar gooien. Hoewel Unilever zijn leveranciers heeft gevraagd geen zaken te doen met Sinar Mas, kunnen die dat niet allemaal garanderen.

Daarnaast wordt palmolie verhandeld als grondstof, waarbij investeerders tonnen olie aankopen en verkopen. Olie van honderden verschillende plantages komt uiteindelijk in één groot vat terecht. „Van een tomaat weten we al voordat het zaadje de grond in gaat dat die voor ons is”, zegt Engel van Unilever. „Maar voor alle voedselgrondstoffen waarin gehandeld wordt, zoals palmolie, suiker, cacao of melkpoeder, is de herkomst lastig te traceren. Dat is een probleem van de hele industrie. Je moet een heel andere toeleveringsketen krijgen.” Leveranciers zijn daar ook al mee bezig: de eerste tonnen volledig duurzame palmolie zijn onderweg.

Verder is het voor afnemers lastig om erachter te komen of leveranciers aan ontbossing doen of niet. Unilever doet alleen al in Indonesië zaken met tientallen palmolieleveranciers, die miljoenen hectares aan plantages hebben. En die allemaal zeggen dat ze zich aan de regels houden.

Maar er zijn allerlei trucs. Soms kapt een marionettenbedrijf het bos om en legt het een plantage aan, waarna het failliet gaat en wordt overgenomen door de echte producent. Of het bedrijf koopt lokale functionarissen om, die de bewering van het bedrijf dat het om verzwakt bos gaat, bevestigen. Sowieso hebben plantagebedrijven – zeker in Indonesië – vaak allerlei obscure constructies, waardoor nauwelijks valt te achterhalen welke plantage bij welk bedrijf hoort.

Volgens wetenschapper Laurance hebben milieuorganisaties niet genoeg capaciteit om aan te tonen welke toeleveranciers op grote schaal ontbossen. Om daarachter te komen, is een combinatie nodig van satellietbeelden en bezoek ter plaatse. Greenpeace bezocht enkele plantages, voor andere producenten was geen tijd. De milieuorganisatie vindt dat afnemers zelf hun leveranciers moeten controleren. Kröger: „Ze komen alleen in actie na ons onderzoek. Maar wat gebeurt er op die andere honderdduizenden hectares aan plantages?”

„Wij zijn niet de palmoliepolitie”, zegt Engel. Ook Unilever heeft daar volgens hem niet genoeg mensen voor. Toeleveranciers moeten wel een overeenkomst tekenen, waarin onder meer staat dat ze zich houden aan de lokale wet, dat er geen kinderarbeid plaatsvindt en dat werknemers een vakbond mogen vormen. Bij een deel van de leveranciers controleert de multinational de naleving.

Hoewel het voor bedrijven dus lastig is volledig duurzame palmolie te kopen, kunnen ze wel meer doen dan nu. Zo kunnen ze sinds 2008 voor een bedrag tussen de vijf en twintig dollar een certificaat kopen dat garandeert dat ergens een ton palmolie wordt geproduceerd zonder dat daar bos voor sneuvelt. Maar de afnemers hebben daar nog weinig belangstelling voor. Volgens de site van Greenpalm, dat de handel organiseert, hebben bedrijven pas 587.000 van de 1,2 miljoen beschikbare certificaten gekocht. Unilever kocht bijna tweederde daarvan. Daarmee loopt het voor op onder meer Procter & Gamble (Head & Shoulders, Oral-B), dat helemaal geen palmoliecertificaten heeft gekocht. Of Nestlé (Smarties, Maggi), dat met 13.000 certificaten zo’n 10 procent van zijn totale inkoop dekt.

Unilever wil vanaf 2015 alleen nog duurzame palmolie kopen, al of niet via certificaten. Waarom niet nu al, nu zo’n groot deel van de beschikbare certificaten onverkocht blijft? Met de huidige prijzen zou dat zo’n 15 miljoen dollar per jaar kosten – minder dan 1 procent van de 2 miljard dollar die het bedrijf jaarlijks aan palmolie spendeert. Geen bedrag dat de prijs van een stukje zeep enorm opdrijft. Volgens Engel gaat het niet om de kosten, Unilever wil de markt niet nóg meer domineren. Laurance brengt daar tegenin: „Het lijkt mij een goede zakelijke tactiek om te zeggen: kijk eens, wij kopen alle duurzame palmolie die er is.”

Voor elke euro die Unilever extra uitgeeft aan duurzame palmolie, moet ergens anders worden geschrapt. Toch ontkomen bedrijven er niet aan, verwacht Engel. „Iedereen gelooft dat het in 2020 not done zal zijn om niet-duurzame palmolie te kopen.”