Sleutelrol voor Nederland

De hele voedselproductie uit het rijke Westen staat of valt bij de beschikbaarheid van goedkope, industrieel geproduceerde gewassen uit ontwikkelingslanden. Zij zijn de bron van vet of eiwit.

Het is niet de olie van het felgele raapzaad uit de Flevopolder dat gebruikt wordt in al onze boodschappen die „plantaardige oliën” bevatten. In 42 procent van de gevallen is dat palmolie, stelt de organisatie voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Met twee andere exoten als soja- (14 procent) en kokosolie (8 procent) komt tweederde van de gebruikte plantaardige olie uit armere landen.

En daarbij speelt Nederland een belangrijke rol. Wij importeerden 2,2 miljoen ton in 2009, ofwel 4 procent van de wereldproductie. Eenvijfde gebruiken we zelf, de rest verhandelen we. Nederland neemt daarmee een belangrijk deel van de totale EU-import voor zijn rekening, die neerkomt op 13 procent van de wereldproductie. Door de toenemende welvaart in India en China zijn ook deze landen inmiddels grootimporteurs.

De toenemende vraag, ook door de opkomst van biobrandstoffen, heeft ervoor gezorgd dat de twee grootste producenten, Indonesië en Maleisië, meer palmolie produceren. In Indonesië is het areaal de laatste twintig jaar vertienvoudigd tot ruim vijf miljoen hectare.

Naast plantaardig vet is ook plantaardig eiwit een cruciale grondstof voor onze levensstijl. De Nederlandse grond biedt lang niet genoeg voedsel voor de ruwweg 120 miljoen landbouwhuisdieren die hier leven. Dus moeten we voer importeren: het eiwitrijke sojameel dat overblijft als de olie uit de bonen is geperst.

Voor soja zijn Argentinië, Brazilië en de VS de grootste producenten. Europa is de grootste importeur met wederom een sleutelrol voor Nederland. Ongeveer eenderde van de Europese import loopt via Nederland.

Net als bij palmolie wordt er gewerkt aan ‘verantwoorde’ soja, maar slechts 4,4 procent van de 3,3 miljoen ton soja die we in 2008 verwerkten was verantwoord, zo stelt Both Ends, een coalitie van milieu- en ontwikkelingsorganisaties. Regenwoud in het Amazonegebied verdwijnt voor het voer van Nederlandse varkens en kippen.

Import van voedsel betekent export van milieu- en arbeidsproblematiek. Als de landen waaruit wij importeren een zwak bestuur hebben, betekent dit dat milieu en lokale bevolking het onderspit delven. Het zijn de zakelijke en bestuurselite die van ons profiteren.

En sinds de voedselcrisis van 2007 en 2008 gaan rijke landen nog een stap verder in het verdringen van de noden van de lokale bevolking in arme landen: direct huren of kopen van grote stukken landbouwgrond.

Hans van der Lugt