Maputo voert zwalkend voedselbeleid

Mozambikanen zijn boos over prijsstijgingen. Die zijn niet het gevolg van voedseltekorten maar van economiebeleid. „Onze leiders zeggen: ik eerst, dan het volk.”

De prijs van brood in Mozambique gaat toch niet omhoog. Na dagen van gewelddadige demonstraties, waarbij in de straten van hoofdstad Maputo dertien doden en honderden gewonden vielen, besloot de regering van president Armando Guebuza gisteren om prijzen van enkele levensmiddelen en andere basisvoorzieningen, zoals elektriciteit en water, nog even op het oude niveau te laten. De regering gaat zachte witte bolletjes, die 15 eurocent moesten gaan kosten in een land waar het gemiddelde maandinkomen op zo’n 30 euro ligt, voorlopig subsidiëren.

Maar of deze verzachtende maatregelen de boze bevolking tot rust zullen brengen, valt te bezien. Zoveel brood eten Mozambikanen namelijk niet. De overgrote meerderheid van de bevolking is vooral afhankelijk van maïs en cassave. De snelle stijging van de wereldwijde graanprijzen door het exportverbod na de bosbranden in Rusland hebben, anders dan commentatoren na het oproer vorige week suggereerden, op Mozambique maar een bescheiden invloed. En een elektriciteits- of wateraansluiting is slechts voor een kleine groep stadsbewoners weggelegd.

„De onvrede die nu in Mozambique opspeelt is veel breder”, zegt Mozambique-expert Joseph Hanlon van de Britse Open Universiteit. „Voor de Wereldbank is het land een officieel succesverhaal, maar door de stijging van basiskosten is de armoede alleen maar gegroeid.” Na de burgeroorlog, die in 1992 afliep, voerde het land alle door de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds bepleite „westerse neoliberale recepten” door, zegt Hanlon. Maar ondanks ruim 6 procent economische groei in de afgelopen jaren – waarover de Wereldbank op een speciale website over ‘Afrikaanse successen’ hoog opgeeft – leeft ruim tweederde van de bevolking nog altijd onder de armoedegrens.

Wereldwijd is Mozambique een van de weinige landen die weigeren de landbouwsector financieel te ondersteunen. Tegen de zin van de internationale donorgemeenschap in besloten buurlanden Malawi en Zambia dit in de afgelopen jaren wel te doen. Door subsidie op kunstmest zijn die twee landen nu minder afhankelijk van voedselimport. „Mozambique produceert zelf te weinig voedsel om de eigen bevolking te voeden”, zegt Hanlon. „Veel moet uit Zuid-Afrika komen. Nu de Zuid-Afrikaanse rand sterk in waarde is gestegen, wordt de import uit Zuid-Afrika voor de regering haast onbetaalbaar. Een subsidie is maar een tijdelijke oplossing, het economiebeleid van de regering moet helemaal op de schop.”

Ook in 2008 gingen de Mozambikanen de straat op. Toen was de woede vooral gericht tegen de hogere tarieven voor de ‘chapa’s’, taxibusjes die de stadsbevolking naar het werk brengen. Na dagen van onrust stelde de regering toen een subsidie op benzine in. Die subsidie is voor 2010 begroot op 34 miljoen dollar, maar volgens het dagblad O Pais heeft de subsidie door de stijgende olieprijs de staat dit jaar al 78 miljoen euro gekost. Dat is 2 procent van het bruto binnenlands product. Vorig jaar riepen donoren de regering op om de benzinesubsidie te laten varen, maar dat durfde regeringspartij Frelimo in een verkiezingsjaar niet aan. In oktober werd president Guebuza met overgrote meerderheid herkozen.

Het oorspronkelijk socialistische Frelimo-bewind in Maputo, dat na de burgeroorlog de vrije markt omarmd heeft, wil volgens politiek analist Marcelo Mosse, hoofd van het Centrum voor Publieke Integriteit in Maputo, niet erkennen dat de kloof tussen arm en rijk sterk is toegenomen. Een al lang verwacht regeringsonderzoek naar de economische toestand van huishoudens is nog niet gepubliceerd omdat, volgens Mosse, „de autoriteiten de uitkomsten nog aan het masseren zijn”.

Volgens Mosse en andere analisten is de kloof tussen de politiek en de burger de laatste jaren toegenomen. „Het grote probleem van ons land is dat onze leiders nooit beslissingen nemen die iedereen ten goede komen”, schrijft een commentator in O Pais. „Daarvoor in de plaats zeggen ze: ik eerst, dan het volk.” De regering heeft het geweld veroordeeld en verandering beloofd, schrijft de krant, maar als de crisis voorbij is „dan verandert er niets”.

In Maputo is het sinds afgelopen weekend rustig. Leger en politie patrouilleren in de arme wijken en het versturen van sms’jes, waarmee de massa opnieuw gemobiliseerd zou kunnen worden, is niet mogelijk.