Kek

Twee weken geleden schreef ik over ‘hard’, het nieuwe woord voor ‘vet’.

Er zijn veel woorden zoals vet of hard of cool. Woorden die niet alleen betekenen dat iets cool is, maar waarmee je ook laat zien dat je iemand bent die er iets vanaf weet. Tenminste, als je het woord gebruikt dat op dit exacte moment in is. Gebruik je een woord dat net uit is (cool in plaats van vet, bijvoorbeeld), dan is dat meteen ook een teken dat je echt helemaal niet meer meedoet. Dan kun je nog beter woorden gebruiken die niet cool/vet/hard zijn, dan zit je altijd goed. „Wat een goede film,” bijvoorbeeld. Daar val je je geen buil aan.

Woorden kunnen, na uit geweest te zijn, weer in raken. Een woord als ‘hip’ is soms daadwerkelijk hip, dan is het juist het omgekeerde van hip, daarna wordt het op een campachtige manier weer wel hip, waarna het weer echt hip wordt. Aangezien ik niet weet op welk punt op de sinuscurve we ons nu bevinden, vermijd ik hip alweer een hele tijd.

Er zijn ook worden die volgens mij nooit, op welke plek en in welk tijdperk dan ook, ‘in’ zijn geweest. Toch worden die woorden gebruikt. Ik heb het hier specifiek over het woord ‘kek’. Kek klinkt als een kat die overgeeft. En het roept beelden op van kinderen in roze, aqua en mintgroene speelpakjes, die hard lachen maar intern diepongelukkig zijn.

De vraag is dus: in welk parallel universum leven mensen die ‘kek’ wél een leuk woord vinden? (Die, sterker nog, besluiten een tijdschrift op te richten dat zo heet?) Iemand zei een keer tegen me: „Kek truitje,” en dat was geen grap. Sindsdien moet ik bij dat truitje altijd denken: „Kek.” Waardoor ik het dus niet meer aantrek.

Ik vermoed dat mensen uit het kek-universum het onzin vinden om je zo druk te maken om woorden. Omdat je in dezelfde tijd de hele kinderkamer had kunnen sjabloneren met de tamponeertechniek.

Paulien Cornelisse