EU-bankheffing: praktisch wenselijk, politiek onhaalbaar

Bij de ondergang van Fortis bleek hoe moeilijk het is om een grote bank met activiteiten in diverse landen te redden. De EU zoekt naar een gezamenlijke aanpak.

Europese ministers van Financiën willen de miljarden terug die ze in de banken hebben gestoken. Daarom praatten ze gisteren in Brussel over drie soorten belasting of heffing van de financiële sector. Maar aan het eind van de dag was er geen overeenstemming. Elk land wil iets anders. Omdat tientallen banken over heel Europa verspreid zitten, kunnen de ministers echter niet op eigen houtje opereren.

In juni beloofden de 27 regeringsleiders dat ze allemaal een bankheffing gaan invoeren. De staatskassen raken leeg door de crisis, regeringen zoeken manieren om die weer te vullen. Ook de politieke druk stijgt. Overal klagen belastingbetalers dat het oneerlijk is: eerst betaalden zij de bailouts van de banken, nu worden zij vol getroffen door bezuinigingsmaatregelen, terwijl de bonussen van de bankiers alweer stijgen. Daarom vroegen de regeringsleiders hun ministers van Financiën een regeling te bedenken voor zo’n bankheffing.

Dat blijkt niet zo simpel. Omdat de financiële sector in elk land anders opereert, wil de één andere activiteiten belasten dan de ander. Ook over de reikwijdte lopen de meningen uiteen. Kan Londen buitenlandse filialen van een Britse bank aanslaan? En Londense vestigingen van buitenlandse banken? Om te voorkomen dat een bank als ING in Nederland en Groot-Brittannië heffingen krijgt opgelegd, is coördinatie nodig. „Belastingen zijn een nationale bevoegdheid”, zei demissionair minister Jan Kees de Jager (CDA) gisteren. Daar heeft Europa niets over te zeggen.”

De meeste financiële transacties in Europa lopen via grensoverschrijdende banken. Een lappendeken aan nationale regelingen zou voor hen een nachtmerrie zijn. Zo’n lappendeken kan ook leiden tot protectionisme, waarbij elk land zijn eigen ‘nationale kampioenen’ bevoordeelt en buitenlandse banken benadeelt. Deze verkapte staatssteun is verboden op de Europese interne markt. Daarom opperde eurocommissaris Michel Barnier dit voorjaar om de opbrengst van bankheffingen in een speciaal fonds te storten. Eerst wilde Barnier een Europees fonds. Mocht er een Europese bank omvallen met filialen in diverse landen, dan kon dit fonds inspringen. Er bestaat op dit moment geen mechanisme om Europese faillissementen af te wikkelen. De manier waarop Beneluxlanden over elkaar heen walsten bij Fortis verontrustte velen. Wat als straks een gigant bezwijkt, en twintig regeringen gaan redden wat er te redden valt voor ‘hun’ rekeninghouders?

Maar ministers schoten Barniers Europese fonds af. „Het was een goed idee”, vatte een diplomaat de kloof tussen praktische overwegingen en politieke haalbaarheid samen, „maar geen minister die dit aan zijn achterban wil verkopen.” Intussen heeft Barnier voorgesteld dat elk land dan zijn eigen, nationale ‘resolutiefonds’ opzet voor de bankheffing. Ook hiervan trekken landen zich weinig aan. Groot-Brittannië heeft een heffing, en boekt de – aanzienlijke – opbrengst daarvan als inkomsten op de nationale begroting. Frankrijk, Duitsland en Nederland willen hetzelfde doen. Zweden heeft een heffing én een fonds.

Diplomaten zeggen dat de bankheffing er wel komt, al zit er weinig schot in de coördinatie. Van de zogeheten transactietaks, de tweede optie die ministers gisteren bespraken, kan dat niet worden gezegd. Frankrijk en Duitsland willen deze belasting op financiële transacties – een variant op het oude veelbesproken plan voor een ‘Tobin-tax’ – graag invoeren. Frankrijk, dat deze herfst G20-voorzitter wordt, wil een Europees standpunt formuleren, om collectief de VS, China en Japan over te halen. Maar deze landen hebben al gezegd dat ze die transactiebelasting niet willen. Gisteren bleek dat veel Europese landen er ook niets in zien. Zweden voerde het in de jaren tachtig in en banken verlegden hun transacties prompt naar filialen in Kopenhagen en Londen. De Zweden lobbyen keihard tegen de transactietaks. Diverse ministers spraken gisteren schamper over het Zweedse „weglekfiasco’’. Zelfs de Franse minister Christine Lagarde zei aan het eind van de dag welbespraakt dat deze belasting „technisch doenlijk, praktisch moeilijk, politiek wenselijk en financieel onzeker” was.

De Europese Commissie produceerde op de valreep nog een paper over een derde belastingvorm: de activiteitenbelasting. Maar de ministers waren al niet meer in de stemming. Sommigen vinden het te veel lijken op de bankheffing, anderen wijzen ook hier op weglekgevaar. En nu de Basel III-regels bijna rond zijn, worden banken al verplicht meer kapitaal aan te trekken. „We moeten oog hebben voor de opeenstapeling van eisen aan banken”, zei De Jager. „Ik ga een activiteitenbelasting niet meteen afschieten. Maar ik ben sceptisch.”