Een echte Hollander

‘Voel jij je nu in eerste instantie Indisch of Nederlander?” Op die vraag luidt mijn antwoord steevast: geen van beide. Ik voel me Hollander. Althans, ik streef er naar Hollander te zijn, niet Nederlander, Hollander.

De gedachte spreekt me aan dat eind negentiende eeuw Popko Moll, zoon van een Moll uit Oost-Nederland, de Hollandse kust bereikte en besefte, ‘achter de horizon moet meer zijn’. Hij nam de boot naar Indië en kwam nooit meer terug. Wij werden in de jaren vijftig ‘gerepatrieerd’.

Niet iedereen was blij met onze komst in Nederland. „Als er weer aan je wordt gevraagd ‘wat komen jullie hier eigenlijk doen?’ moet je maar zeggen: ‘We zijn hier op vakantie’.”

Wat is dat Hollandergevoel?

Het meest voel ik me Hollander wanneer het regent en ik op de fiets stap. Racend door de uitgestorven straten waan ik me een echte doorzetter, iemand die zich door niets en niemand laat tegenhouden. Dat was de echte Hollander, werd ons op de lagere school geleerd. Maar zoals je je voelt, hoef je nog niet te worden gezien.

Tijdens het liften in Frankrijk, eind jaren zestig, kreeg ik afgekloven appels naar mijn hoofd of brandende sigarettenpeuken. Of een auto stopte en als je met je rugzak aan kwam rennen, trokken ze langzaam op.

„Ze dachten natuurlijk”, zei ooit een meisje ter verdediging van de racistische Fransen: „dat je een Noordafrikaan was”.

In Singapore werd vaak aan me gevraagd wie van mijn ouders Chinees was. In Ankara liep ik een keer ’s avonds met mijn blanke vriendin aan de arm over straat. Drie dronken Turken hielden me staande omdat ze me voor een Arabische pooier hielden. Ooit op stage bij de Vreemdelingenpolitie werd me de eerste dag de weg versperd door een rechercheur bits naar mijn ID gevraagd.

Hoe mensen je zien, weet je nooit. In de supermarkt is het koud en ik hou mijn gebreide mutsje op. Een wildvreemde dame begint een verhaal tegen me over haar vriendin die met een Syriër is getrouwd. „Zo’n aardige man.” Ze babbelt verder tot ze in mijn winkelwagentje kijkt en roept: „Oh, u eet spek. U bent geen moslim!” Verontwaardigd loopt ze weg.

Of de minzame afkeuring van een familielid die me ziet met een pet op. „Zo zie je er net uit als een Japanse kampbewaarder.”

Nee, dan op de fiets in de regen. Voorover gebogen zwoegend tegen de striemende wind, liefst zonder handschoenen. Dan besef je ook pas, het fietspad overziend, hoe weinig echte Hollanders er nog zijn.