De leercurve van een brave sukkel

In het televisiedrama Breaking Bad ontdekt de zieke leraar scheikunde Walt zijn innerlijke monster.

Tot troost van iedere kijker die in het diepst van zijn gedachten een sukkel is.

Drie keer Bryan Cranston als Walt White in Breaking Bad Breaking Bad Season 1 Episode Photos Walter White (Bryan Cranston) in Episode 1

Walt zit op een witte wc-pot in de badkamer, broek op zijn enkels, knieën bloot, overdenkend wat hij in godsnaam moet doen. Walt is een bleke vijftiger, met een vlassig, rossig snorretje en een goedkope bril. Walt maakt een lijstje.

In dit beeld, halverwege de derde aflevering van Breaking Bad, zit alle tragiek van Walt en het drama van deze serie samengebald.

Het lijstje dat Walt maakt, is bedoeld om orde te scheppen en te beslissen of hij een moordenaar moet worden of niet. Dat is niet zomaar een besluit, zeker niet voor Walt, tot kort ervoor een brave burger. Maar hij heeft te horen gekregen dat hij niet lang meer te leven heeft en besluit een grote slag te slaan in de drugs om zijn gezin in weelde te kunnen achterlaten. Binnen de kortste keren werkt hij zich in de nesten. En zo tobt hij over de vraag wat te doen met een gewelddadige drugsdealer, die hij per ongeluk gevangen heeft genomen.

Links, onder het kopje ‘Laat hem leven’, de redenen om de gevangene niet te vermoorden:

- Dat is het morele ding om te doen

- Posttraumatische stress

- Je bent geen moordenaar

- Het kan dat hij luistert naar rede

- Moord is verkeerd!

Rechts één reden om de man wel te doden:

- Hij zal je hele familie vermoorden

Walt zit in het nauw. Zijn ogen zijn opengesperd, zijn mond hangt half open. De troosteloosheid van een man op de wc, de wanhoop van het lijstje: er is geen misverstand over de boodschap van dit beeld. Walt White is een sukkel.

Maar waarom eigenlijk, want het dilemma waarmee hij worstelt is goed navoelbaar. En waarom is de sukkel zo’n geschikte held voor een verhaal?

Sukkeligheid komt in vele gedaanten. Voor scheikundelaar Walt is de mens voor bijna 100 procent op te delen in elementen uit het periodiek systeem. De rest noemt hij ziel. Welk stofje of welke karaktertrek maakt ons bang, of juist niet?

Iets durven begint met het inschatten van een onbekend risico, dan is er de redenering dat de marges veilig zijn en als het proces zich toch ongunstig ontwikkelt, redeneer je opnieuw dat je het wel gaat redden.

Bij het ongeluk dat mensen overkomt, helpt het noodlot soms de eigen onhandigheid. Ook het noodlot komt in vele gedaantes.

Ergens neem je een verkeerd besluit, een verkeerde afslag en voor je het weet, gaat alles mis.

Als het fictie is, is dat niet alleen maar deerniswekkend. Het is ook om van te genieten, en dat is een gave waar veel mensen mee gezegend zijn. Dat is geen kwestie van valsheid, het is opluchting. Andermans geluk of ongeluk is wat ons naar fictie drijft.

Zie het ongeluk van de autoverkoper uit Fargo van de Coens, een onvergetelijk mooie filmsukkel. Fargo is de film van de zwangere politieagente en van de twee gluiperige moordenaars. Maar de kickstart van het ontsporende verhaal is het idiote plan van Jerry Lundegaard om zijn vrouw te laten kidnappen en zijn rijke schoonvader losgeld te laten betalen.

Zijn noodlot heeft de vorm van een geslaagde schoonvader, die hem kleineert en ook nog zijn baas is. Hij neemt het verkeerde besluit en kan dan niet meer terug. De rol van sukkel zat acteur William H. Macy als gegoten. Dat afgematte gezicht, het licht geroofd uit zijn ogen, de hangende mondhoeken, de wanhoop in zijn stem en het verongelijkte in zijn schouders: in alles de geslagen man.

De sukkel moet niet verward worden met de nerd, die tegenwoordig alom de held is in film en tv-series. Nerds zijn hyperintelligente maar sociaal gehandicapte jongens of jonge mannen die jongetjes blijven. In geestige series als The Big Bang Theory en Chuck is het enige ongeluk dat ze over zich afroepen dat ze geen meisje kunnen krijgen.

In het verlengde daarvan is er de romantische sukkel, tot perfectie geslepen door Hugh Grant. Hij is de nietsnut en stoffige boekverkoper, die eigenlijk net iets te knap is, en na al zijn vergissingen eindigt met vrouwen als Andie MacDowell en Julia Roberts. De stakker.

Nee, bij een echt geslaagde sukkel wordt zijn leven op zijn kop gezet omdat hij een bizarre oplossing bedenkt als het noodlot aanklopt. In de tv-serie Breaking Bad is Bryan Cranston als Walt White de nieuwe Jerry Lundegaard annex Williams H. Macy. Sterker, hij vervolmaakt wat Macy alleen maar kon suggereren in de beperkte duur van een speelfilm.

In Breaking Bad – dit is wat de Coens bedacht hadden willen hebben als ze een televisieserie zouden maken – heeft Cranston uren en uren om zijn personage vorm te geven en te laten transformeren, met de hulp van een intelligent en fijnzinnig scenario. Hij krijgt er ook niets dan lof voor. Voor elk van de drie seizoenen die inmiddels van de serie zijn uitgezonden in de VS, kreeg Cranston de Emmy Award voor beste acteur in een dramaserie.

Aanvankelijk is Walt White een scheikundeleraar, stukgelopen op de apathie van zijn leerlingen. Vanwege geldgebrek heeft hij een bijbaantje als administrateur in een autowasserette. Maar soms moet hij bijspringen. In de eerste aflevering wordt hij diep vernederd als één van zijn onaangenaamste leerlingen met zijn auto langskomt en White onder diens luide aanmoedigingen zijn wieldoppen moet poetsen.

Maar het noodlot trapt hem pas echt hard naar de grond als zijn dokter ontdekt dat White longkanker heeft. Het is ongeneeslijk. Hij heeft nog een jaar te leven. En dan neemt White zijn verkeerde besluit. Hij vertelt het aan niemand. Na een stoer verhaal van zijn blufferige zwager, die drugsagent is, vat hij het plan op snel rijk te worden en zijn jongere vrouw en gehandicapte zoon met voldoende geld achter te laten. Als hij ontdekt dat een van zijn oud-leerlingen dealt, biedt hij zich aan als fabrikant van het zwaar verslavende stimulerende middel crystal meth.

De gedachte is goedbedoeld en misschien zelfs heroïsch, maar de uitwerking catastrofaal. Walt schat de risico’s in, en blijft bij alles wat er gaandeweg misgaat redeneren dat hij het wel gaat redden.

Langzaam groeit de afstand tussen de sukkel die hij was en de man die hij wordt. In Breaking Bad is een sukkel zijn maar een fase in je leven. Dat is bemoedigend. Voor ons allemaal.

Skyler, zijn vrouw, vormt met haar zus een kooi rond zijn oude identiteit. Zij zijn de achtergrond waartegen Walt zich ontwikkelt. Door hun onwrikbare principes over ‘hoe het hoort’ leidt elk licht vergrijp tot hysterie in de familie.

Maar buitenshuis groeit het beest in White. Dat nuffige randje van beschaving dat bij hem is aangeslibt, krabt hij gestaag van zich af. Eerst hervindt hij zijn dierlijke, seksuele geldingsdrang, waar zijn vrouw maar net van bekomt. Dan volgen andere hormonale driften, zoals zijn strijdlust en eergevoel.

White is onze sukkel, omdat hij hij het gevoel van ontoereikendheid verbeeldt dat ieder mens ervaart. Hij is onze held omdat hij zich verbetert, zoals wij ons willen verbeteren. Breaking Bad toont geraffineerd hoe moeizaam dat gaat en dat houdt ons in spanning.

Met horten en stoten, soms terugkrabbelend, dan weer vastbesloten geeft hij toe aan zijn opgekropte frustraties en de spijt over zijn vergooide leven. Op zeker moment neemt de camera een certificaat in zijn slaapkamer in beeld dat vermeldt dat hij in 1985 bijdroeg aan onderzoek dat werd onderscheiden met de Nobel-prijs. Zo ver is Walt afgegleden. Om een sukkel te worden, hoef je nog niet dom te zijn. Zijn oude partner is wel succesvol als chemicus. Hij is miljonair en heeft Walts vroegere jonge vriendin en medewerkster als echtgenote. Nu is Walt alleen briljant als drugskok: hij brouwt crystal meth die iedereen wil hebben.

Zijn carrière als drugscrimineel wordt gevoed door zijn woede over de slappeling die hij is. Zijn nieuwe ik is een exorcist die de sukkel in zichzelf wil uitdrijven. Niet meer toegeven, niet meer inschikken. In seizoen twee maant hij zijn partner Jesse een junk aan te pakken die hen bestolen heeft, tot verbazing van Jesse. Waarop White grijnst en zegt: „Ik geef toe dat er sprake is van een zekere leercurve.”

De schaamteloosheid waarmee Bryan Cranston zich op zijn rol heeft gestort is overdonderend. Hij zet zijn fysiek in, maar houdt zijn mimiek heel subtiel, want White wint wel veel aan durf, maar weinig aan uiterlijk vertoon. Met zijn dunne lippen vormt zijn mond al snel een scherpe lijn in zijn gezicht, waarmee hij maar licht hoeft te trekken om geslagenheid of verachting uit te drukken.

Dat zijn de voornaamste emoties bij White. Dat zijn ook de twee uiteinden van de curve die zijn ontwikkeling aangeven.

In het tweede seizoen zit een schitterende scène waarin Walt praat met zijn ex, die ontdekt heeft dat hij leugens verspreid. Dat is niks voor jou, zegt ze. Honend vraagt Walt wat haar veronderstellingen over hem dan zijn. Om haar vervolgens ook nog te beschuldigen rijk te zijn geworden van zijn vroegere inspanningen. Zij sputtert tegen, waarop je Cranston nog even ziet aarzelen. Zijn oude, beleefde en beschaafde ik speelt op. Maar als ze zegt dat ze zo met hem te doen heeft, bijt hij door en schreeuwt haar in het gezicht: „Well, fuck you!”

De leercurve van Walt is nog niet ten einde. In de extra’s bij de eerste dvd stelt scenarist en regisseur Vince Gilligan dat hij Walt zich het liefst in veertig à vijftig afleveringen ziet opwerken tot een Scarface. Dan zou de transformatie compleet zijn.