Weldenkend Frankrijk protesteert

Het gebeurt niet iedere dag dat er uit het buitenland geluiden van ontsteltenis klinken over de toestand bij ons. De moord op Pim Fortuyn en die op Theo van Gogh waren wereldnieuws, maar het commentaar op de voorpagina van Le Monde van afgelopen weekend over de politieke crises in de Lage Landen had geen schokkend incident als aanleiding. Het is de algehele toestand die verbijstering wekt. ‘Malade du populisme’, luidt de diagnose van de Franse krant. Nederland ziek, België ziek. Het is waar en je kunt eraan toevoegen dat Frankrijk zelf ook niet gezond oogt, Italië doodziek is en Duitsland zich niet echt lekker meer voelt.

De opkomst van een egoïstisch en soms anti-Europees populisme, zoals Le Monde de kwaal omschrijft, heeft epidemische vormen aangenomen. Natuurlijk zijn er specifieke symptomen voor Nederland en België. Het politieke systeem ligt op apegapen (à bout de souffle). De analyse uit Frankrijk luidt dat bij ons de onmacht van de traditionele partijen debet is aan de grote invloed van wat eerst nog splinterpartijen waren, bedoeld worden de PVV en de nationalistische maar niet xenofobe N-VA in Vlaanderen. Maar de omvang van het Franse Front National is eveneens aanzienlijk.

Misschien is de situatie in Frankrijk nog wel zorgelijker dan hier. Daar is het namelijk de president zelf die als een surfer op de populistische golf scheert. Het is Sarkozy die de door Le Monde benoemde ziekte verspreidt in plaats van haar te bestrijden. Zijn pogingen het Front National de wind uit de zeilen te nemen met razzia’s en deportaties, met de Roma als doelwit, brengt grote onrust teweeg bij de ‘weldenkenden’. Wee de weldenkenden, in Nederland het nieuwe scheldwoord voor voorheen de ‘linkse kerk’ of de ‘politiek correcte elite’.

De voorpagina van Le Monde waar het bezorgde commentaar over ons en onze zuiderburen op stond, was grotendeels gewijd aan het protest van weldenkenden tegen Sarkozy. „Veiligheid, Roma, afpakken van de nationaliteit, pensioenen: dit Frankrijk protesteert”, luidde de openingskop. Volgens de opiniemakers in hetzelfde nummer van de krant verkeert Frankrijk in een diepe morele crisis.

Ter toelichting van deze stelling is een volle pagina gewijd aan een interview met de socioloog Alain Touraine (onder meer de uitvinder van het begrip ‘postindustriële samenleving’). Hij is uiterst somber over het verdwijnen van de sociale cohesie, die volgens hem maar op één manier hersteld kan worden: door het morele schandaal aan de kaak te stellen. Het morele schandaal behelst de minachting voor de mensenrechten in het land dat zich terecht op de uitvinding van de mensenrechten beroemt. ‘Onverdraaglijk’ volgens Touraine. „Dit onverdraaglijke kan een beweging teweegbrengen. Daarvoor hebben we in Frankrijk voldoende opvoeding en tradities, of die nu geworteld zijn in de arbeidersbeweging of in het christendom.” Hij zegt – maar misschien is de wens de vader van de gedachte – dat de Fransen meer gevoel hebben voor de mensenrechten dan hun regeerders. „De afwijzing van de ander, de zondebok, het racisme, de ontkenning van de mensenrechten vormen het schandaal.”

Voor Touraine is de ondergrens bereikt. En wie dit ene nummer van Le Monde verder doorbladert, ziet dat dit de teneur is in het blad. De filosoof Salim Abdelmadjid roept op tot verzet tegen „het onaanvaardbare”. De drempel van het aanvaardbare in de politiek van Sarkozy is overschreden, betoogt hij, als onrechtmatige daden aan hele bevolkingsgroepen worden toegerekend of als een kampement van Roma wordt ontruimd. Deze auteur vraagt zich af of er een „juiste toon” bestaat waarop je over het onaanvaardbare kunt praten. „Als we onze stem verheffen, het soms uitschreeuwen over iets weerzinwekkends, ondervinden we dat naast ons iemand zegt: ‘Kalm nou maar, we zijn per slot niet in het fascisme beland’.” Nee, dat weet de auteur zelf ook wel: „Sarkozy is geen Pétain en zijn regime is niet fascistisch; maar wat we ook weten is dat we reden hebben ons uit alle macht te verzetten.” Het onaanvaardbare komt sluipenderwijs, soms zie je pas achteraf dat er een drempel is overschreden, voegt hij eraan toe.

En dan is er, nog altijd in datzelfde nummer van Le Monde, heus niet zo’n dikke zaterdagkrant, een open brief aan Sarkozy van schrijver en dichter Tahar Ben Jelloun, winnaar van de Prix Goncourt. De president heeft een voorbeeldfunctie, schrijft hij, een politiek leider mag niet inspelen op racistische stemmingen, ook niet als die zijn veroorzaakt door sociale malaise, armoede of angst. Een staatshoofd moet dat juist ontmoedigen. Het koppelen van onveiligheid aan immigratie betekent toegeven aan de betreurenswaardige ideeën van een extreemrechtse partij. „De economische crisis is geen excuus. De morele crisis is een feit. Het is aan u, mijnheer de president, om het imago van Frankrijk als het land van de mensenrechten te herstellen.”

Samengevat: toegeven aan uiterst rechts isoleert het land en betekent verraad aan de fundamentele waarden van Frankrijk.

Zou dit allemaal te principieel en te abstract zijn voor Jean et Marie? Is het te fel voor Bastiaan Bommeljé („Geert Wilders – dat zijn wij”, er is geen reden voor paniek) of Bas Heijne („De rechtsstaat is een onwerkelijke abstractie van de weldenkenden”) die van tut-tut doen en gut-gut en het zal wel zo’n vaart niet lopen en wind je nou maar niet zo op? Mij is het principiële nee van Le Monde tegen uitsluiting en discriminatie liever dan het bij ons nu ineens modieuze relativeren van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel. Liever dan een keuze voor accommodatie, begrip voor Henk en Ingrid en het meebuigen op intellectueel vlak met hun grote leider.