Waar ging het ook alweer over?

Er zijn concrete problemen in Nederland: veiligheid, geld, werk, tekorten in de zorg.

Maar we discussiëren alleen nog maar abstract over godsdienst. Dat leidt wel af.

Als je last krijgt van een writer’s block, is er maar één remedie. Opstaan van je stoel, tanden poetsen, koffie zetten en jezelf de strenge vraag stellen: „Wat wilde ik ook alweer zeggen?” Bij het vastdraaien in gesprekken of onderhandelingen kun je je hetzelfde afvragen. „Waar ging het ook alweer over? Wat waren we eigenlijk aan het doen?” Met die terugkeer naar het oorspronkelijke probleem kies je voor de ambachtelijke aanpak. Hand aan de ploeg, poten in de modder, schouders eronder: dat soort inzet.

In een cultuur die steeds minder ambachtelijk wordt, raakt helaas de concrete aanleiding voor onderhandelingen steeds vaker uit zicht. Omdat mensen om het hardst hoger worden opgeleid, raken ze te deftig voor simpele onderwerpen. Ze moeten hun diploma waarmaken, en zo verzanden ze al gauw in een algemeen vaag, cultureel commentaar dat zijn street credibility alleen nog hoopt te ontlenen aan de krachtigheid van het taalgebruik.

Een mooi voorbeeld was het interview dat directeur Weesie van omroep PowNed deze zomer gaf aan de Volkskrant. De kop luidde: ‘We zijn in elk geval niet links, en tegen God.’ Tegen God, tegen het systeem, tegen het publieke bestel; wat had de omroep voor hoogopgeleide mannen dan wel te bieden? Veel meer dan een viriele presentatie bleek dat niet te zijn. „Je moet ‘ongezien de tyfus’ kunnen uitspreken en geloofwaardig blijven.” Sindsdien oefen ik dat dan maar voor de zekerheid dagelijks vijf minuten voor de spiegel, maar het zou toch fijn zijn als het publieke gesprek ook nog ergens over ging.

In de maatschappelijke werkelijkheid waarin we verkeren, zijn voldoende concrete zorgen te bespreken. Zo kun je je voorstellen dat veel kiezers bij de afgelopen verkiezingen hebben gedacht aan de bonussen die zijn uitgekeerd aan failliete bankiers en aan het gebrek aan personeel in de zorg, aan de onzekerheid van het pensioen en aan overlast in de buurt.

Het is bekend dat sommigen de oplossing voor hun problemen hebben gezocht in het plan voor een immigratiestop. Niet het beste plan misschien, maar wel heel concreet en ook begrijpelijk. Maar meteen schuift de abstracte godsdienstkritiek hier als een rookgordijn voor. Wat begon als een debat over de praktijk van immigratie, is verworden tot een abstract commentaar op afkomst en religie. En dus begint een Duitse bankier over het ‘joodse gen’. En dus reist Geert Wilders, gekozen om in Nederland de AOW te redden, de zorg te verbeteren en het geld netter te verdelen, als een moderne kosmopoliet naar New York om te speechen tegen de bouw van een cultureel centrum.

Wilders en de Duitse bankier Sarrazin staan niet alleen in de omslag naar religieuze abstractie. De plotselinge hausse aan publicaties over het godsbegrip is te duidelijk om niet op te vallen: we zijn midden in formatietijd in godsdienstige disputen beland. Geen opleving van de religie, maar van de discussie óver religie. En die abstracte discussie – ‘we zijn tegen God’, ‘we zijn voor God, maar tegen Allah’ – verdringt met gemak de concrete zorgen rond geld, werk en veiligheid op straat.

Laat ik een willekeurige greep doen uit de kranten van de afgelopen tijd. Een historicus in een opiniestuk: „Godsdienstvrijheid is het recht van elke burger om er onbewezen en onbewijsbare opvattingen omtrent een of meerdere fictieve opperwezens op na te houden.” Een schrijver van een ingezonden brief: „Welke godsdienst iemand wil aanhangen moet natuurlijk vrij zijn, of dat nu de verering van Allah, Jahweh of het spaghettimonster is.” En een Nederlandse denker in een voetnoot: „Mij is het om het even of mensen in hun woonkamer God aanbidden of een orgie organiseren met veertien dwergen.”

Dit zijn de aanhangers van de moderne Verlichting; ook die voegen zich in het debat over de grondwettelijke godsdienstvrijheid, dat afleidt van serieuzere onderwerpen. Hun spottende opmerkingen over fictieve opperwezens slaan overigens feitelijk de plank mis – er zijn erkende religies waarin van ‘opperwezens’ geen sprake is – en bieden een tamelijk tam en ongevaarlijk beeld van religie als vrijetijdsbesteding.

Dan is de discussie over religie tussen gelovigen onderling beslist een stuk spannender. Als tijdens de afgelopen formatiepoging in het midden werd gelaten of de islam een godsdienst is of een ideologie, werd vooral ook in het midden gelaten of moslims in het belijden van hun geloof onder dezelfde bescherming van de Grondwet vallen als christenen, joden en boeddhisten. Alleen al het onbeslist laten van die vraag was een duidelijk religieus standpunt; in dit verband viel de steun aan Wilders vanuit orthodox-christelijke groeperingen in Amerika ook goed te begrijpen, evenals de toenadering tot de SGP tijdens de formatiepoging. Die formatie werd voor een veel belangrijker deel religieus gemotiveerd dan je zo op het oog zou denken.

En het is waar, er zijn concrete problemen met godsdienst en anti-godsdienstigheid. Het zojuist opgerichte Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid gaat op zoek naar een antwoord op de vraag wat de overheid ‘moet’ met religie. Dat leidt tot interessante besprekingen van juridische problemen rondom kruisbeelden, overheidssubsidies, haatzaaiartikelen en basiswaarden.

Maar mij zou het al een hele vooruitgang lijken als het maatschappelijke gesprek niet voortdurend óver religie zou gaan, maar als iedereen zich vanuit zijn eigen godsdienstige of ongodsdienstige levensovertuiging ook eens zou afvragen: „Waar hadden we het ook alweer over?” Niet over de Grondwet, lijkt me, maar over een verpleegster aan het bed.

Marjolijn Februari is columnist van NRC Handelsblad, rechtsfilosoof en auteur van de roman ‘De literaire kring’.