Twee Turken die zich tegen inburgeringstoets verzetten

Kunnen Turken worden verplicht tot inburgeren?Of zijn ze juridisch gelijk aan EU-burgers?

De zaak. Twee Turkse inwoners van Vlaardingen en Hoogvliet worden verplicht aan een inburgeringscursus mee te doen. De één woont hier al sinds 1983. De ander arriveerde in Nederland na 2004, toen minister Verdonk de wet Inburgering invoerde. Beiden maken bezwaar tegen verplichte deelname aan het examen. Beiden op grond van hun nationaliteit.

Maar Turken zijn toch geen EU-burgers en dus inburgeringsplichtig? Ja en nee. Tussen de Europese Unie en Turkije geldt een associatieverdrag. Dat verdrag moet ervoor zorgen dat Turkije naar de EU toegroeit. Er is geleidelijke integratie afgesproken. Op basis daarvan mag Nederland geen onderscheid maken tussen legaal hier verblijvende Turken en burgers van (echte) EU-landen bij toegang tot de arbeidsmarkt. Althans dat betogen de twee Turkse migranten.

Een inburgeringstoets maakt het vinden van een baan toch juist makkelijker? Dat is het politieke argument dat Kamer en kabinet uitdragen. Juridisch zijn Turkse migranten inderdaad niet expliciet uitgezonderd van de toets. Maar of die plicht ook spoort met (hoger) internationaal recht, is aan de rechter overgelaten.

Hoe lost de rechter dit op? Is zo’n examen inderdaad te beschouwen als een drempel, een plicht die anderen niet treft en dus een vorm van discriminatie? Of is het extra hulp? De rechter vindt het geen moeilijke vraag. Studeren kost tijd en energie die je niet aan iets anders kunt besteden. Wie zakt, krijgt een boete. En wie het helemaal niet haalt, krijgt geen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dat leidt onvermijdelijk tot een zwakkere positie op de arbeidsmarkt, slechtere loopbaanperspectieven, minder kans op een hypotheek, etcetera. Er is dus sprake van onderscheid bij toegang tot de arbeidsmarkt. Een Turkse migrant heeft hier andere plichten dan een Griek.

Wordt dat onderscheid verboden door het verdrag? Daarvoor haakt de bestuursrechter aan bij een arrest van het EU-hof in Luxemburg uit april van dit jaar. Toen maakten Turkse migranten bezwaar tegen de hoge kosten die ze voor hun eerste verblijfsvergunning moesten betalen. Hoger dan voor burgers uit EU-landen. Mocht dat? Wat wilde de wetgever eigenlijk tot stand brengen met dat verdrag? Volgens het Europese Hof van Justitie in Luxemburg willen de landen „de situatie van Turkse staatsburgers dichter bij de situatie van burgers van de Unie [..] brengen door geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen”. Beperkingen van de vrijheid om binnen de EU te wonen en werken moesten juist vervallen. Hogere bedragen voor vergunningen alleen voor Turken mogen dus niet. In september 2009 had het Hof dat ook al gezegd over de kosten voor het verlengen van de vergunning. De kosten die Turkse migranten betalen moeten zich evenredig verhouden tot de plichten voor EU-burgers.

Dat geldt dus ook voor toegang tot de arbeidsmarkt, concludeert de rechter. Totdat de wet iets anders zegt, is een Turk wat rechten en plichten betreft een (soort) EU-burger. Een inburgeringstoets is dus niet verplicht.

Folkert Jensma

Reacties via nrc.nl/recht-en-bestuur