Mecenas neemt zieke Karstadt onder zijn hoede

Nicolas Berggruen heeft de noodlijdende warenhuisketen Karstadt gekocht voor één euro. ‘Ik ben hier een tijdelijke herder.’

Joost van der Vaart

Het was een opmerkelijk paar dat elkaar feliciteerde, eind vorige week op de hoogste etage van de Karstadtvestiging aan de Kurfürstendamm in Berlijn. De frêle en blonde minister van Sociale Zaken, Ursula von der Leyen, en de informeel en jong ogende zakenman en miljardair Nicolas Berggruen. Ze hadden zojuist de Duitse warenhuisketen Karstadt gered.

Vijfentwintigduizend banen waren behouden gebleven. Von der Leyen had bemiddeld, Berggruen was met zijn concessies tot het uiterste gegaan. Nu stonden ze tevreden lachend voor de camera’s, deze filmsterren van de politiek en de haute finance. Het had maar een haar gescheeld of het was anders en minder glamoureus afgelopen met Karstadt, een oer-Duits instituut.

Een halve kilometer verder, op de Wittenbergplatz hoek Tauentzienstrasse, hangt een dag later bij het Kaufhaus Des Westens de vlag uit. Het ‘KaDeWe’ (spreek uit: kaadeewee) is het beroemdste warenhuis van Duitsland; een luxetempel van de kelder tot en met de zevende etage. Maar hoe sjiek ook, het KaDeWe behoort tot het bijna failliete Karstadt.

De personeelsleden, die altijd dachten dat ze niets kon overkomen, maakten zich de laatste maanden ernstig zorgen. Een faillissement van Karstadt kon ook het KaDeWe meeslepen. Op de lampenafdeling zegt een opgeluchte verkoper desgevraagd: „Ik hield rekening met het ergste, maar met Berggruen als eigenaar kan niets meer fout gaan. Het schijnt dat hij z’n overhemden bij ons koopt. Dat geeft vertrouwen”.

Aan de maandenlange hangpartij van Karstadt is gisteren officieel een eind gekomen. De 120 Karstadtwarenhuizen, in Nederland te vergelijken met V&D en de Bijenkorf en in Duitse steden niet weg te denken, zijn overgedragen aan Berggruens investeringsmaatschappij. Ze waren onderdeel van het Arcandorconcern, dat vorig jaar juni uitstel van betaling moest aanvragen na jarenlang mismanagement. De fouten van elkaar snel opvolgende bestuurders waren genadeloos blootgelegd door de kredietcrisis. Die bleek niet de oorzaak, maar wel de katalysator van het bankroet van Arcandor.

De internationale zakenman en investeerder Nicolas Berggruen (49), zoon van de beroemde Duitse kunsthandelaar Heinz Berggruen (zie kader), mag zich eigenaar noemen van een warenhuisketen met een klinkende naam, maar met problemen die het best in de koopprijs worden weerspiegeld. Berggruen heeft welgeteld één euro betaald. Karstadt is verstoft, niet hot bij jongeren en heeft plekken op zijn etages waar haast geen mens meer komt, maar waar toch veel personeel de dag doorbrengt met vertwijfeld wachten op klanten. En Karstadt heeft schulden, al worden die nu gesaneerd door de curatoren. Eigenlijk is het net geen failliete boedel meer.

De voorraden zijn te groot, het assortiment is te omvangrijk en de collecties zijn te weinig aansprekend, concludeerden marktonderzoekers geruime tijd geleden al. Maar in de tussentijd is er niets gebeurd. „De jonge Berggruen krijgt het druk”, voorspelde laatst een van de tientallen advocaten die bij de afwikkeling van het immense Arcandorbankroet zijn betrokken.

Maar ‘de jonge Berggruen’, zoals hij ook door veel Karstadtwerknemers wordt genoemd, blijft onder deze last opmerkelijk optimistisch. Hij zegt tegen het verzamelde personeel van de vestiging aan de Kurfürstendamm: „Karstadt staat recht overeind. We gaan een opwindende toekomst tegemoet”. Hij doet een beroep op de ervaring van de verkopers en zegt ze hard nodig te hebben. „Werknemers met langjarige contracten kunnen gewoon bij Karstadt blijven”.

Berggruen heeft beloofd dat hij voor minstens 65 miljoen in Karstadt zal investeren. Om het moderner te maken en het assortissment te saneren – kortom, om ervoor te zorgen dat de mensen weer naar het warenhuis komen. Zoals dat decennialang het geval was. Geen ander warenhuis is zo verbonden met de naoorlogse wederopbouw en het Duitse Wirtschaftswunder als Karstadt. Weinig andere warenhuizen waren bovendien zo bekend in het interbellum.

Karstadt werd in 1881 in Wismar opgericht door zijn naamgever Rudolph Karstadt. Het Stammhaus, zoals het genoemd wordt, staat nog steeds in deze Noord-Duitse stad. Het heeft de DDR-tijd overleefd, is netjes opgeknapt en is gevestigd aan de Rudolph Karstadt Platz. Binnen enkele jaren na het begin in Wismar waren elders in Duitsland tientallen filialen geopend. Hoogtepunt van Karstadts vooroorlogse bloei was het filiaal in Berlijn, aan de Hermannplatz in Kreuzberg – destijds het grootste warenhuis ter wereld.

In 1945, kort voor het eind van de Tweede Wereldoorlog, werd het door Adolf Hitlers SS-troepen opgeblazen. De nazi’s waren van mening dat het warenhuis als fenomeen een joodse vinding was. En hoewel Rudolph Karstadt geen jood was, had hij wel veel joden in dienst. De warenhuisketen heeft zwaar onder de nationaal-socialistische jaren geleden. Meer dan 800 personeelsleden zijn gedeporteerd en vermoord, onder wie vier bestuurders en 47 filiaalchefs.

Na de oorlog kon Karstadt expanderen. Vanaf het moment dat de wederopbouw aarzelend op gang kwam, wilden de West-Duitsers spullen kopen. Het Karstadtwarenhuis stond centraal in hun jarenlange koopdrift. ‘We gaan naar Karstadt’, werden gevleugelde woorden. De groei kon niet op.

Ergens eind jaren ’80, begin jaren ’90 ging het fout. Karstadt miste signalen dat de bakens moesten worden verzetten. De keten teerde op oude roem en kon het hoofd alleen boven water houden dankzij z’n onroerend goed. De panden waarin de warenhuizen waren gevestigd, waren eigendom; een kapitaal bezit.

Tot de moeizaam tot stand gekomen verkoop aan Nicolas Berggruen heeft het onroerend goed een hoofdrol gespeeld in het voortbestaan van Karstadt. Het ‘drama Karstadt’, zoals het de laatste jaren is gaan heten, kwam in stroomversnelling toen in 2002 grootaandeelhouder en multimiljonair Madeleine Schickedanz, graaf Matthias von Krockow van het bankiershuis Sal. Oppenheim en bestuursvoorzitter Thomas Middelhoff besloten het onroerend goed te verkopen. Met het vrijgekomen geld – 4,6 miljard euro – moesten de stijgende schulden worden bestreden. Het moest de beurs ook weer een beetje vertrouwen geven. De koers van Karstadt stond op een dieptepunt.

Maar het tegenovergestelde gebeurde: de warenhuizen moesten torenhoge binnenstadshuren gaan betalen, het vertrouwen van beleggers slonk, saneringen en ontslagen boden geen soelaas. De bluf van Schickedanz, Krockow en Middelhoff werd uiteindelijk doorgeprikt toen de kredietcrisis zich aandiende. Arcandor moest surseance aanvragen. Karstadt was op sterven na dood. Nog steeds is niet opgehelderd waar een deel van de miljarden van het verkochte onroerend goed is gebleven. Het zou zijn weggesluisd – maar waarheen en door wie, weet niemand.

De onderhandelingen met Berggruen duurden zo lang en verliepen zo moeizaam omdat hij bij de nieuwe eigenaren van de Karstadtpanden huurverlagingen wilde afdwingen. Dat is alleen na uiterste krachtsinspanning en na bemiddeling van minister Ursula von der Leyen gelukt, zo liet Berggruen eind vorige week doorschemeren.

Highstreet, een onroerendgoedconsortium van Deutsche Bank en Goldman Sachs en eigenaar van de Karstadtpanden, was aanvankelijk helemaal niet van plan de huren te verlagen. „Daar is objectief gezien geen enkele reden voor”, zei een woordvoerder enkele maanden geleden. Maar het is uiteindelijk toch gebeurd. Het typeert de verhoudingen in de Duitse sociale markteconomie. De wilskrachtige bewindsvrouwe Von der Leyen, een van de kopstukken van de christen-democratie, „heeft duidelijk weten te interveniëren”, zegt een ingewijde.

Met Berggruen als nieuwe eigenaar blijft Karstadt Duits. Een andere gegadigde tot het laatste moment was de Italiaanse ondernemer Maurizio Borletti. Maar zijn bod is afgewezen. Zoveel is duidelijk: Nicolas Berggruen wordt vertrouwd omdat hij geld heeft, omdat hij de werknemers hoop geeft en hun taal spreekt – al is het met een licht Amerikaans accent. En omdat niemand gelooft dat deze jongensachtige miljardair met zijn vijfdagenbaardje „de boel zal verkwanselen zoals Schickedanz en Middelhoff dat wel hebben gedaan”, meent de verkoper op de lampenafdeling van het KaDeWe.

Nicolas Berggruen is een kosmopoliet zonder vaste woon- of verblijfplaats. Hij woont in hotels en is veel in de wereld onderweg om noodlijdende bedrijven te kopen, op te lappen en weer te verkopen. „Ik ben hier een tijdelijke herder”, zegt hij tegen het Karstadtpersoneel aan de Kurfürstendamm. Maar die veelbetekenende woorden gaan in het feestgedruis verloren.