EU-landen informeren elkaar voor 'Prinsjesdag van Europa'

Europese ministers van Financiën zijn het eens over een plan om elkaars begrotingen al in het ontwerpstadium kritisch te bekijken.

Elk jaar tussen half en eind april gaan de Europese ministers van Financiën elkaar voortaan een ruwe versie van hun nationale begroting sturen. Als ze al die begrotingen naast elkaar leggen, kunnen ze eerder dan nu parallelle trends of juist tegenstrijdigheden ontdekken. In juli moet elke minister dan van zijn collega’s „inschattingen en opmerkingen” krijgen – in Nederland ruim op tijd voor Prinsjesdag.

Dit is de essentie van het ‘Europese semester’, één van de onderdelen van het verbeterde managementsysteem voor de euro waar de Europese ministers van Financiën gisteravond onder leiding van Europees president Herman Van Rompuy over verder vergaderden. Toen deze besprekingen begonnen, in mei, mopperden sommige ministers nog dat begrotingen nationaal zijn en dat Brussel zich daar niet mee moet bemoeien. Maar nu is die onderlinge vroegtijdige begrotingscontrole één van de weinige ingrepen waar ze het allemaal over eens zijn. „Er is groen licht”, bevestigt een diplomaat. Volgende week bespreken regeringsleiders het tijdens een top in Brussel.

Sancties voor overtreders van het Stabiliteitspact, een andere component van het verbeterde euromanagement waar de ministers over spraken, liggen nog zo gevoelig dat daar geen overeenstemming over is. Ministers verschillen van mening over welke sancties het beste werken, zoals het opschorten van stemrecht of het stopzetten van cohesie- of structuurfondsen voor arme regio’s. Anderen zeggen dat het geen zin heeft over sancties te praten: die zijn nu al mogelijk, ze zijn alleen niet gebruikt omdat de politieke wil ontbrak. Voor hen is de vraag vooral: is die politieke wil er straks wel? De Duitse minister Schäuble, die dit voorjaar nog landen uit de eurozone wilde kunnen zetten, gaf gisteren toe dat de „dynamiek om lessen uit de crisis te trekken minder sterk wordt”, nu er tekenen zijn van economisch herstel.

Met onderlinge begrotingscontrole zetten de ministers vooral symbolisch een grote stap. Nationale begrotingen blijven net zo nationaal als nu. De regering en het parlement van het land zelf beslissen er als enigen over. Maar, zegt een diplomaat, „als we binnen de eurozone onze economische politiek beter gaan coördineren, moeten we ook naar elkaars begrotingen kunnen kijken. Want die geven tendensen aan.”

Een van de lessen van de crisis is dat eurolanden één munt delen maar economisch te veel hun eigen koers hebben gevaren. Toen Griekenland hierdoor uit de bocht vloog, kwam de euro voor het eerst sinds de oprichting in 1999 in gevaar. Wie achteraf oude Griekse begrotingen bekijkt, en betalingsbalans-statistieken, en andere indicatoren die gewoon openbaar waren, beseft dat iedereen het debacle van verre kon zien aankomen. Maar landen bemoeiden zich niet met elkaars begroting, elkaars pensioensysteem of arbeidsmarkt. Alleen de Commissie, als ‘hoeder’ van het Stabiliteitspact en dus de euro, mocht iets zeggen over begrotingen. Maar omdat landen hun begrotingen pas in de herfst insturen, als hun parlementen erover hebben gestemd, hebben die opmerkingen weinig zin. Ministers zeggen dan: „Sorry, niets meer aan te doen, het parlement heeft het al goedgekeurd.”

Zolang het economisch goed ging, wreekte dat zich nauwelijks. Maar de crisis toonde aan dat één begroting enorme impact kan hebben op andere eurolanden. Dat slaat niet alleen op Griekenland; Duitsland krijgt nu kritiek omdat zijn bezuinigingen het economisch herstel in zuidelijke landen kunnen bemoeilijken. Daarom zei Commissievoorzitter José Manuel Barroso vanmorgen tijdens zijn eerste ‘State of the Union’ in Straatsburg: „We moeten de monetaire unie matchen met een echte economische unie.” Dat betekent méér Europa, wat politiek in veel landen moeilijk te verkopen is. Een van de eerste, en minst pijnlijke stappen in dit proces is dat ministers in vroeg stadium bij elkaar gaan zitten, elk met de hoofdlijnen van komende begroting onder de arm. „We gaan niet op elkaar vitten”, zegt een diplomaat. „Maar als mijn begroting slecht is of ingaat tegen een Europese trend, is er tenminste discussie. Aanbevelingen worden openbaar. De oppositie kan die gebruiken bij het nationale parlementaire debat.” Europese bemoeienis? Volgens hem kun je zelfs het omgekeerde verdedigen: „Dit verrijkt het nationale debat.”