Een geschiedenis die niet mag rusten

In Kamp Westerbork zaten vanaf april 1945 drie jaar lang ‘foute’ Nederlanders opgesloten. Een vergeten geschiedenis, belicht in twee nieuwe boeken.

Vaak hoort ze: „Durft u dit wel te vertellen?” Of: „Wat dapper dat u dit zegt.” Karin Bruggeman (74) is kind van NSB-ouders. Ze vertelt erover op scholen, samen met de joodse kampoverlevende Fanny Heymann (68). Ditmaal vertellen ze erover in Herinneringscentrum Kamp Westerbork in Hooghalen.

Aanleiding voor hun gastles, afgelopen weekend, was de presentatie van twee boeken over een vergeten episode uit de geschiedenis van het kamp. ‘Westerbork’ was vanaf april 1945 drie jaar interneringskamp voor 8.000 ‘foute’ Nederlanders. In het boek Kinderen van de NSB vertellen mensen over hun vaak schrijnende ervaringen.

Heymann en Bruggeman trekken langs scholen met een boodschap. Bruggeman: „Dat de gekste tegenstellingen kunnen samengaan, als je naar elkaar kunt luisteren.” Om beurten vertellen ze over hun jeugdjaren. Haast nuchter, soms met een kwinkslag. Heymann werd in 1944 als 2-jarige vanuit Westerbork gedeporteerd naar Bergen Belsen. Haar vader bezweek er kort voor de bevrijding. Haar moeder drie dagen na hem. Op de achtergrond worden familiefoto’s op een scherm getoond. Een portret van haar ouders. „De enige foto die ik van hen heb.”

De ouders van Bruggeman vluchtten in september 1944, toen de bevrijding nabij leek, naar Hannover. Als 7-jarige maakte ze er de bombardementen mee. Ze heeft er een tekening van gemaakt. „Ik zit hier in een schuilkelder bij mijn vader op schoot. Hij is zes weken na de bevrijding in een interneringskamp overleden. Ik heb hem verschrikkelijk gemist.”

De laatste jaren is er meer aandacht voor kinderen van foute ouders. In 2002 hield het Historisch Nieuwsblad een enquête onder hen. Daaruit bleek dat zij kort na de oorlog stelselmatig waren gepest, gemeden en uitgescholden. De meesten vonden dat ze gehinderd waren in opleidingskansen en beroepsmogelijkheden. Driekwart had moeite met persoonlijke relaties. Schaamte en schuldgevoel streden om voorrang.

Twee jaar geleden was in het Herinneringscentrum een tentoonstelling over Westerbork als interneringskamp voor foute Nederlanders. Toen ook ontstond het idee voor de twee boeken. Niet iedereen is zo open als Bruggeman. Schrijfster Jannie Boerema interviewde negen kinderen uit een NSB-nest. Ze vertelt dat een van de geïnterviewden per se anoniem wilde blijven. „De vrouw is van 1949, haar moeder was met haar zusje van vier geïnterneerd in Westerbork. Na thuiskomst werd het zusje stelselmatig verkracht door twee mannen uit het dorp. Niemand greep in. Vader zat ver weg, moeder zweeg. De politie zou haar toch niet geloven. De plaatselijke bevolking kotste je uit.”

Westerbork staat symbool voor de deportatie van 102.000 joden naar de gaskamers. Aandacht ervoor als interneringskamp voor „landverraders” ligt nog steeds „heel gevoelig”, zegt directeur Dirk Mulder desgevraagd. „Oud-NSB’ers willen het verleden laten rusten en er niet meer over praten. Oud-verzetsmensen en mensen uit joodse kring vinden dat je er juist op deze plek niet over moet willen praten. Maar dit is ook een deel van de geschiedenis van het kamp dat we onder de aandacht willen brengen.”

Hans Blom, oud-directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, zei bij de boekpresentatie dat je de oorlog niet alleen vanuit goed/fouttegenstellingen moet belichten. Zijn grootvader, een NSB’er, overleed na de oorlog aan dysenterie in Westerbork. Het verleden als interneringskamp kan tot bezinning leiden op de kwaliteit van de huidige samenleving, meent Blom. „Behandeling van politieke delinquenten laat zien hoe moeilijk het was de humanitaire norm ook jegens de vijand toe te passen. Meer dan eens kreeg wraakzucht in die eerste chaotische maanden na de bevrijding de overhand.”

In het boek Interneringskamp Westerbork komt onder anderen Ed van Thijn (1934), oud-burgemeester van Amsterdam, aan het woord. Hij zat als joods jongetje opgesloten in Westerbork. Na de bevrijding moest hij gevangen NSB’ers bewaken. „Ik was de eerste kindsoldaat”, vertelt hij in het boek. Hij herinnert zich dat het er „ruig” aan toeging. „De foute Nederlanders kregen porren met geweerkolven. Sommigen moesten kruipend grote afstanden afleggen, terwijl ze werden geslagen. Ze moesten hun eigen uitwerpselen opeten. Afschuwelijke beelden.”

Na twee maanden gaat Ed met zijn vader naar Amsterdam. Wrok tegen landverraders heeft hij al snel niet meer. „Als ik kinderen van foute Nederlanders tegenkom, zeg ik: Je kunt jezelf geen verwijten maken. Jij bent ook een oorlogskind.”