De ultieme strijd om de grootste populariteit

Zijn jongeren narcistischer door de mogelijkheden tot zelfpromotie via internet?

Onderzoek wijst dat niet uit; wel dat het individu zich scherper wil onderscheiden.

De 'Cybraphon' maakt muziek als hij zijn eigen naam tegenkomt op internet. Wordt hij vaak genoemd, dan speelt hij blij; wordt hij weinig genoemd dan klinkt hij somber. Foto ontwerper en kunstenaar Tommy Perman

Als ik me beroerd voel, heb ik de neiging mezelf te googelen. Gewoon om te kijken of ik er nog toe doe.

Dat is een rare gewoonte, maar ik kan ‘m verdedigen met goede argumenten. Ik moet toch weten of mijn artikelen worden opgemerkt, doorgestuurd, bediscussieerd of gejat? En een artikel zonder twittervermelding of blog-entry verliest toch een beetje z’n glans.

Dat is natuurlijk onzin. De biografie The First Tycoon: The Epic Life of Cornelius Vanderbilt (om maar iets willekeurigs te noemen) duikt in totaal nog geen honderd keer op Twitter op. Zelfs nadat het boek dit jaar een Pulitzer-prijs won. Kwaliteit heeft niets te maken met retweets.

Maar toch wil ik die aandacht. En geef maar toe: ook jij weet hoeveel volgers je hebt op Twitter. Je houdt bij hoeveel reacties een foto of bericht oplevert. Je weet heel goed wie je dagelijkse blogupdates leest. Narcistische gewoontes, vrees ik.

Dat kan kloppen. Deze generatie is narcistischer, zei psychologe Jean Twenge. In 2006 bestempelde ze de jonge generatie tot ‘Generatie Mij’ in een invloedrijk boek over de Amerikaanse jeugd.

Twenge onderzocht hoe studenten die na de jaren zeventig waren geboren op de NPI scoorden, de Narcissistic Personality Inventory. Ze zag dat de scores een stuk hoger uitvielen dan die van de generaties daarvoor. De jongeren van nu, concludeerde ze, zijn assertiever, hebben meer zelfvertrouwen en houden minder rekening met anderen en zijn zelfgerichter.

(Ja, nu ga ik me zorgen maken. De NPI staat gelukkig gewoon online.

A. I just want to be reasonably happy.

B. I want to amount to something in the eyes of the world.

B! B natuurlijk! Ik blijk toch gemiddeld narcistisch. Of zouden mensen die een narcismetest invullen er sowieso punten bij moeten krijgen?)

De trend was gezet: wij zijn narcistischer. Ook in Nederland, schreef hoogleraar psychologie Jan Derksen in 2007 in Zijn wij wel narcistisch genoeg? (Overigens is dat niet alleen maar een slechte zaak, stelde hij. Een portie narcisme helpt je vooruit.)

In 2008 liet TNS Nipo in opdracht van de Volkskrant 1.300 enquêtes invullen. Daaruit bleek ook dat de Nederlandse jeugd meer op zichzelf gericht is dan ooit. Onderzoekers wijzen naar opvoeding, onderwijs en de celebrity-cultuur als oorzaken. En sinds kort ook naar internet, dé hangplek voor narcisten.

Het was de Britse internetpessimist Andrew Keen die de term ‘digitaal narcisme’ populair maakte. Hij schreef in 2007 The cult of the amateur waarin hij waarschuwde voor een internet dat door hobbyisten is volgeschreven. Waarheid en cultuur lijden daaronder, zei hij. Wat je krijgt is een plek waar mensen liever zichzelf presenteren dan naar anderen luisteren.

Internet is natuurlijk bij uitstek de plek om jezelf te promoten. Je zet er je gunstigste foto’s en interessantste nieuwtjes over jezelf op. Psychologe Jean Twenge wijst vooral naar sociale media als narcismeversnellers. Uit een onderzoekje onder 130 Amerikaanse studenten bleek dat mensen met narcistische trekjes meer vrienden hebben op Facebook. En, stelde Twenge met een vragenlijst vast, de zelfpromotie is niet onbewust. Deze generatie weet dondersgoed van zichzelf dat ze daar sociale media voor gebruikt.

Van internet, zo lijkt het, word je narcistischer. Maar de jonge generaties scoren helemaal niet hoger op de NPI dan eerdere generaties. Dat bleek uit Amerikaans onderzoek in 2008 in het tijdschrift Psychological Science. De wetenschappers maakten gebruik van grootschaliger studies dan Twenge. In tegenstelling tot wat zij beweerde, zijn jongeren niet narcistischer. En stel dat er studies komen die weer het tegendeel aantonen, dan is het maar de vraag of dat door internet komt.

Volgens de psychiatrische definities overdrijft een narcistisch persoon z’n eigen talenten. Een narcist is jaloers, heeft overdreven veel aandacht nodig en neigt ernaar anderen voor z’n karretje te spannen. Een narcist leeft zich weinig in anderen in en vindt dat-ie recht heeft op een bijzondere behandeling.

Hoogleraar Jan Derksen zegt dat hij als onderzoeker niet zou spreken over digitaal narcisme. Er is nog geen goed onderzoek gedaan naar het effect, of zelfs het bestaan ervan.

Derksen ziet het zo: sociale media hebben twee functies. Eén: verbonden zijn met anderen, „een diepe behoefte van mensen”. En twee: inspelen op narcistische trekken „die we allemaal in verschillende mate hebben.” Iemand die exhibitionistisch zijn leven uitstalt en daarvan geniet, bedient wellicht meer zijn narcistische trekken dan z’n behoefte aan verbondenheid.

Versterk je met dat uitstallen ook narcisme? Dat kan wel, denkt Derksen. „Je kunt makkelijk doorschieten. Maar het moet wel beter worden onderzocht.” Te veel naar internet wijzen is in ieder geval niet terecht. „We leven al in een cultuur met een enorme individualiseringsdrift. Vroeger had je één soort zeep, nu tweeduizend. Op internet gaat dat verder, daar profileer je je nog meer.”

Derksen vindt het wel belangrijk dat mensen elkaar ‘in het echt’ blijven zien. „Rechtstreeks met elkaar praten, met de mogelijkheid tot lichamelijk contact, is veel duidelijker en betekenisvoller.” Als je elkaar niet ziet, zegt Derksen, „lekt er veel emotie weg – een ernstige verschraling van het contact.” Openhartig en eerlijk met elkaar praten kan alleen maar goed in ‘in vivo’-contact, zegt hij, en juist dat contact maakt relaties duurzaam. „Directe communicatie is nodig om je relaties en je zelfbeeld gezond te houden.”

(Dus wie iets te melden heeft over dit artikel: niet twitteren. Kom maar langs.)