Crazy

Het is maart 1993. Ik zit in een knus hotelletje in de Achterhoek. Het openhaardvuur brandt, de vlammen likken zachtjes aan de houtblokken. Een Amerikaanse jongen nadert, met een baseballpet diep over z’n hoofd getrokken en een zilveren ring in zijn linkeroor. Hij is twintig en in Europa totaal onbekend. Niemand heeft ooit van hem gehoord. Ik zit daar in het hotel omdat Hennie Kuiper mij getipt heeft. Hennie is z’n ploegleider. Sinds die avond heb ik begrepen dat het niemand gegeven is diep in het leven te kijken.

Een Achterhoeks meisje nadert, ze draagt een schattig wit schortje. De jongen bestelt thee met honing. Het meisje antwoordt: „We hebben geen honing.” De jongen met de pet kijkt mij misprijzend aan: „Wat is dit voor een land? Een land zonder honing.”

Hij ruikt aan het glas dat voor mij staat. „Hoe heet dit gif?” Ik antwoord: „Jenever, daar stoken we jaarlijks 25 miljoen liter van.” Hij schuift de pet naar z’n achterhoofd. „Crazy”, zegt hij.

Ik weet van Hennie Kuiper dat hij in het zuiden van Frankrijk als neo-prof in de frontlinie van het peloton is verschenen en uitdagend naast de Italiaanse vedette Moreno Argentin is gaan rijden. Argentin zei: „Wat kom jij hier doen, nobody?” Waarop de jongen met de pet antwoordde: „Donder op, Chiappucci.” Z’n eerste botsing met het gezag.

In het najaar wordt hij wereldkampioen. Begin oktober 1996 zit ik aan de boorden van het Meer van Lugano in een perstent en hoor ik hem via een internationale lijn zeggen dat hij kanker heeft. Ik denk, tamelijk naïef: ‘Die zien we nooit meer.’ Een misvatting.

Gisteren op de Champs-Elysées zie ik hem vlakbij de Arc de Triomphe voor het laatst langs de terrassen van Fouquets rijden, de huiskamer van Parijs. Waar Jackie Kennedy, Sophia Loren en Gracia van Monaco bij de ingang hun handafdruk in tegels hebben achtergelaten. Afscheid nemen. Dat doen we aldoor. Jesse Owens, Fausto Coppi, Emile Zatopek, Rinus Michels en Ayrton Senna zijn dood. Het leven is eindig.

Ze hebben zeven jaar lang op hem gejaagd. In 2000 zegt een verzorger uit het wielermétier tijdens het grote dopingproces voor de rechtbank in Lille tegen de president van het hof: „Armstrong heeft in de tijdrit tussen Fribourg en Mulhouse meer dan een uur lang 54 kilometer gereden, nou dan weet u het wel.”

Argwaan alom. Hoe kan een voormalige patiënt met uitzaaiingen in z’n hele lichaam zo hard rijden? Vorig jaar verschijnt er in Frankrijk een boek, L.A. Confidentiel, van een Franse en een Engelse journalist die onder anderen met Armstrongs voormalige persoonlijke verzorgster Emma hebben gesproken. Er staan vage aanwijzigingen over het gebruik van verboden medicamenten in. De schrijvers hebben een claim van twee miljoen euro wegens smaad aan hun broek. Het proces loopt. Er is buiten Frankrijk nog geen uitgever gevonden die het boek in het Engels heeft gedrukt.

Maar de jacht gaat door, tot de laatste dag. Donderdag laat het Franse ministerie van Sport nog een extra controle uitvoeren. Lance moet zowel bloed als urine afstaan. De drager van de gele trui en de etappewinnaar dienen zich elke dag voor de dopingcontrole te melden. Lance heeft dat in de Tour de France meer dan honderd keer gedaan.

Er zijn twee conclusies mogelijk: of de controles deugen niet ondanks de technische vooruitgang die geboekt is, of Lance heeft met toegestane middelen gefietst. De laatste jaren evenwel heeft de nieuwsgierigheid naar z’n medische dossier explosieve vormen aangenomen.

Zo laat Armstrong een vertwijfelde sportwereld achter. In de emoties strijden nostalgie, wantrouwen, bewondering, opluchting en weemoed om voorrang.

Jean Nelissen schreef in NRC Handelsblad wielercolumns tijdens de Tour de France, van 2001 tot en met 2008. Hij overleed vorige week en is vandaag in Eijsden gecremeerd. Deze column verscheen op 25 juli 2005, een dag na Lance Armstrongs zevende Tourzege.De column van Peter Winnen verschijnt morgen.