Wie populisme niet snapt, verliest het debat

Hoe blind kun je zijn? Overal ter wereld reageren weldenkenden vol afkeer en ontzetting op nieuwrechts populisme. Dat heeft geen zin, betoogt Bas Heijne.

Kijk terug op het nieuws van de afgelopen tijd en je ontdekt een verontrustend patroon. In Washington vond op 28 augustus een demonstratie plaats van honderdduizend ontevreden Amerikaanse burgers, georganiseerd door de volksrechtse televisiepresentator Glenn Beck. Het motto luidde Restoring Honor. Beck is een van de aanjagers van een beweging die zich fel tegen het politieke establishment keert, in het bijzonder tegen de Amerikaanse president Barack Obama en de progressieve elite.

Zijn critici beschouwden dag en plaats van de demonstratie als een provocatie: dezelfde namelijk als waarop dominee Martin Luther King zijn beroemde I have a dream-speech hield, een mijlpaal in de burgerrechtenbeweging. Weldenkend Amerika reageerde met hoon en afgrijzen op het feit dat deze beweging zich zonder blikken of blozen de progressieve symbolen van de natie toe-eigent (in haar speech beriep volksheldin Sarah Palin zich naast dominee King ook op Abraham Lincoln) – een beweging die wordt gezien als asociaal, anti-immigratie, anti-abortus, anti-milieu en zich voortdurend moet verdedigen tegen overtuigende aantijgingen van racisme.

Beck, die zichzelf entertainer noemt, wordt door critici aan één stuk door op absurditeiten en inconsequenties in zijn opruiende monologen gewezen – zonder veel resultaat. Zijn aanhang en die van de verwante Tea Party-beweging groeit met de dag.

In Frankrijk spraken de kopstukken van de Parti Socialiste op hun congres schande van president Sarkozy, die onlangs een groep Roma de grens liet overzetten en in een toespraak na rellen in Grenoble een verband legde tussen criminaliteit en immigranten. Twee van zijn politieke kompanen opperden ongeveer tegelijkertijd dat immigranten hun staatsburgerschap ontnomen moest kunnen worden wanneer ze een zware misdaad pleegden. Ook vonden ze dat ouders van allochtone jongeren verantwoordelijk gesteld moesten kunnen worden voor de misdaden van hun kinderen.

De toespraak van Sarkozy, zo werd op het congres van de oppositie verkondigd, was een president van de Republiek „onwaardig”. Er vielen woorden als „onverantwoordelijk” en „weerzinwekkend”. Een woordvoerder van de partij liet weten dat er wat hem betreft geen verschil is tussen de Franse regeringspartij en het extreemrechtse Front National.

In Duitsland heeft de Bundesbank het ontslag aangevraagd voor bestuurder Thilo Sarrazin (SPD) omdat hij een boek heeft geschreven met de onheilspellende titel Deutschland schafft sich ab. Daarin beschrijft hij met losse hand de neergang van Duitsland, natuurlijk vooral dankzij de onverwerkte immigratie van buitenlanders. Joden delen een gen dat intelligentie doorgeeft, beweert hij, maar domheid is ook erfelijk, en daarom komen Turken maatschappelijk niet verder dan het verkopen van groente en fruit. En de islam verhindert integratie.

Bondskanselier Angela Merkel noemde uitspraken van Sarrazin „onaanvaardbaar”. Sarrazin, die eerder beweerde dat Turkije Duitsland wilde veroveren „door steeds meer hoofddoekmeisjes te produceren”, ontkent dat hij een rechts-populist is. Hij durft alleen „onaangename antwoorden” te geven op heikele kwesties.

En in Nederland – in Nederland werd het CDA verscheurd door de gedachte aan een kabinet met ‘gedoogsteun’ van de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders. Vooraanstaande CDA’ers, die afhankelijk van het oordeel over hun optreden afwisselend ‘prominenten’ en ‘mastodonten’ werden genoemd, lieten aanvankelijk niet van zich horen. Pas toen duidelijk werd dat er een kabinet zou komen waarbij Wilders de rol van onafhankelijke buitenstaander zonder verantwoordelijkheid kon spelen, kwam er een stroom openbare brieven en opiniestukken los. Pragmatisme – het land moet bestuurd worden – maakte plaats voor principes. Nu de formatie is afgeblazen, heerst alom „opluchting’’, alsof een schande is voorkomen, een groot gevaar afgewend.

Wat is het patroon? Overal om je heen, in de VS, in Frankrijk, in Duitsland en in Nederland, zie je politieke uitzinnigheden, brutale uitspraken en opgeklopte verontwaardiging, meestal vanaf de zijlijn – Sarkozy behoort weliswaar tot het politieke establishment, maar hij is niet vergeten dat hij politiek is doorgebroken toen hij allochtone jongeren in de voorsteden tuig durfde te noemen. Ze gaan meestal over de ondermijning van de natie door immigratie, overlast door criminele allochtone jongeren en de dreiging van de islam – en de jammerlijke ontkenning van die hete hangijzers door de gevestigde politiek. De regerende klasse is arrogant, kijkt neer op de gewone man, toont zich blind voor de kwalijke gevolgen massa-immigratie en de annexatiedrift van de islam waarvan de gewone man in zijn achterstandsbuurt dagelijks getuige is.

Zo voorspelbaar als de retoriek van populistisch rechts inmiddels is, zo nietszeggend is de principiële verontwaardiging waarmee wordt gereageerd. Het blijft bij fatsoenlijke dooddoeners. In de VS wordt schande gesproken van Becks en Palins brutale annexatie van de kernwaarden van Amerika. Sarkozy’s onderscheid tussen echte Fransen en niet-echte Fransen wordt afgedaan met een simpel „weerzinwekkend’’. Het Duitse politieke establishment gruwt van de incorrecte botheid van Sarrazin. En in Nederland wordt keer op keer fijntjes vastgesteld dat Wilders voor zichzelf de vrijheid opeist die hij anderen wil afnemen – of het fascisme wordt er weer eens bij gehaald. Vanuit de gevestigde politiek in Nederland – zie de opstandige CDA’ers – klinkt steeds opnieuw dat Wilders een grote groep Nederlanders uitsluit, dat hij mensen tegen elkaar opzet, en dat zijn voorstellen niet verenigbaar zijn met de rechtsstaat.

Keer op keer komen de tegenstanders van het nieuwrechtse populisme aanzetten met dezelfde gedempte kreten van ontzetting en afkeer. Men haalt abstracte principes als gelijkheid en solidariteit van stal, en brengt ontzet de rechtsstaat in stelling – met weinig of geen effect.

Want steeds opnieuw blijkt uit opiniepolls dat veel kiezers het met de heftige uitspraken eens zijn. Die uitspraken gaan namelijk altijd over concrete gevallen – zo niet uit eigen ervaring, dan wel via media, waar incidenten met een bepaalde weerklank (zoals overlast van Marokkaanse jongens) uitvergroot worden.

Die uitvergroting is meestal selectief, de woordkeus altijd hyperbolisch (‘straatterroristen’), de problemen dikwijls virtueel (de angst voor de islam is het grootst in regio’s waar nauwelijks moslims wonen). Maar waar het om gaat is dat er consequent gesproken wordt in een taal die aanvallend en dramatisch is en die dichtbij de alledaagse herkenbaarheid lijkt te staan. En dat de reacties passief en reagerend zijn, en zich vrijwel altijd beroepen op principes en beginselen die boven de werkelijkheid zweven.

Hoe blind kun je zijn? Tegen die onwerkelijke abstracties van de weldenkenden keert het populisme zich nu juist, daarom is het niet effectief ze aan te roepen ter bestrijding ervan. De rechtsstaat is voor de meeste mensen geen argument meer, in hun ogen wordt dat woord alleen maar gebruikt om problemen te kunnen negeren. Wie in zijn omgeving een toename van het aantal hoofddoeken signaleert, zal eerder geneigd zijn te vallen voor de retoriek van Wilders (de islam moet bestreden worden, zoals we het communisme en het fascisme hebben bestreden) dan dat hij zich spontaan het gelijk-heidsbeginsel voor de geest haalt. Wie dat niet snapt, heeft het debat bij voorbaat al verloren.

Je kunt het bijna niet geloven, maar de formatie van een nieuw Nederlands kabinet is gesneuveld op de vraag of de islam een geloof is of een ideologie. Iedereen met ogen in zijn hoofd kan zien dat het een geloof is, dat in de hoofden van radicalen weliswaar tot een hatelijke ideologie is geperverteerd – maar voor een steeds groter wordende groep niet meer is dan een lifestyle. Kortom, de ene moslim is de andere niet. Waarom kan geen politicus het opbrengen dat vast te stellen? Waarom vlucht men in loze verontwaardiging over „uitsluiten’’ en „groepen tegen elkaar opzetten’’, in plaats van de koe bij de horens te vatten?

Het is een generatieconflict, wordt steeds weer gezegd over de pijnlijke splitsing binnen het CDA. In het Nederlands Dagblad legde Jeroen van Velzen, voorzitter van het CDJA, de kloof uit als het verschil tussen fraaie principes en de harde werkelijkheid: „De CDA-politici van weleer gaan nog steeds uit van een groot politiek midden, terwijl de jongeren zien dat dat midden is uitgehold. Wij zijn politiek bewust geworden in een tijd dat Fortuyn opkwam. Een groot deel van de CDJA’ers is student. Zij wonen vooral in de minder luxe wijken in de grote steden en zien welke problemen er zijn met integratie. Voor de prominenten die zich zo afzetten tegen Wilders geldt dat veelal niet.”

Het is maar de vraag of het drama dat zich op dit moment binnen het CDA voltrekt, werkelijk gaat tussen de grijze villabewoners uit de partij en de jonge ervaringsdeskundigen. Mij lijkt er eerder sprake van een cultuurkloof. Die kloof loopt veel verder dan alleen door het CDA, of door Nederland.

Aan de ene kant is er een groep die algemene principes probeert toe te passen op een steeds ongelijksoortiger samenleving, in de overtuiging dat het hun geloof in algemene principes is die de samenleving bij elkaar kan houden – we kunnen alleen leven met verschillen, wanneer we accepteren dat we allemaal gelijk zijn.

Aan de andere kant bevindt zich een geïndividualiseerde generatie die de eigen ervaring of de ervaring van anderen gebruikt om uitspraken te doen over de samenleving. De ene groep streeft in zijn taal nadrukkelijk objectiviteit na (de rechtsstaat, het gelijkheidsbeginsel), de andere is onbekommerd subjectief (echte Fransen, en niet-echte Fransen), romantisch (Restoring Honor), dramatisch (Fitna) en onheilspellend (Deutschland schafft sich ab). Het is niet moeilijk te zien welke taal in onze mediacultuur het meeste aanspreekt. Vandaar dat ook mensen die Wilders verafschuwen op het puntje van hun stoel zitten wanneer hij op 11 september in New York een redevoering houdt, hoe voorspelbaar de inhoud ook is.

Wie er tegenin wil gaan, zal een nieuwe, aansprekende taal moeten leren spreken. Die taal moet, net als de taal van het populisme, van de dagelijkse praktijk uitgaan, dingen bij de naam durven noemen, speels en uitdagend, zuigend en aanvallend zijn. Minder beginselen, graag, en wat meer passie.

Bas Heijne is schrijver en columnist van NRC Handelsblad. Zijn laatste boek is Harde liefde. Nederland op zoek naar zichzelf (Uitgeverij Prometheus).