Wie niet-katholiek denkt, is een dissident

In mijn jonge jaren heb ik voornamelijk stripboeken gelezen, maar op een gegeven moment kwam daar de krant bij. Dat was begin jaren zeventig.

In mijn herinnering stonden de kranten toen vol met berichten over Sovjetdissidenten, met Solzjenitsyn als dissident nummer één. In 1973 was het eerste deel van De Goelag Archipel verschenen, een beroemd en zeer invloedrijk boek van Solzjenitsyn over de gruwelijke dwangarbeidkampen voor dissidenten in de Sovjet-Unie.

Ik zal, als fervent lezer van de Eppo, indertijd niet hebben geweten wat een dissident was – dit behoorde tot de categorie ‘moeilijke woorden’ –, maar gelukkig bestond bij ons thuis de traditie om woorden die je niet kende op te zoeken in de Grote Van Dale.

Ik heb het nu nogmaals opgezocht. Dissident, staat er, betekent ‘andersdenkende’, ‘inwoner van een land die zich verzet tegen het regime’ of ‘iemand die een scheuring veroorzaakt (met name in politieke of religieuze zaken)’.

Natuurlijk ben ik inmiddels met al deze betekenissen vertrouwd geraakt, maar nog altijd associeer ik dissident in de eerste plaats met de Sovjet-Unie en andere dictaturen.

Met regimes, kortom, waar anders denken, of beter: openlijke kritiek op de overheid, kan leiden tot marteling, gevangenschap en onderdrukking. Dissident in Nederland, een land waar kritiek op de overheid een volkssport is en waar andersdenkenden hoger staan aangeschreven dan gelijkdenkenden, klinkt in mijn oren al gauw aanstellerig.

Niet dat ik geen voorbeelden voorbij heb zien komen van mensen die in politieke of religieuze zaken een scheuring hebben veroorzaakt – met alle moed die daarvoor nodig is.

Zo kan ik me bijvoorbeeld goed herinneren dat Geert Wilders in 2004 met veel stampij de VVD verliet. Hij weigerde zijn zetel op te geven („Ik laat mij niet de mond snoeren door de partij. Ik zal altijd blijven zeggen wat ik ergens van vind”) en begon een eenmansfractie, met vooruitziende blik Groep Wilders genoemd.

Curieus overigens hoe de geschiedenis zich soms in cirkels beweegt, want de dissident die toen weigerde zijn zetel op te geven vraagt nu aan andersdenkenden hun zetel op te geven.

Heeft het woord dissident eigenlijk altijd dezelfde betekenissen gehad? Nee. De oudste betekenis was, aldus het Woordenboek der Nederlandsche Taal, ‘iemand die tot een kerkgenootschap behoort dat afwijkt van de R.-K. leer; afgescheidene’.

Daarnaast werd het gebruikt voor ‘een geloovige behoorend tot de Oost-Europeesche christelijke kerk die zich van de R.-K. Kerk heeft afgescheiden’.

Bovendien was het een historische aanduiding ‘voor een niet-katholiek in Polen aan het eind van de 16de eeuw’.

In de bredere betekenis ‘een afwijker, iemand die anders denkt’ is dissident in 1824 voor het eerst opgetekend, in het Kunstwoordenboek van Petrus Weiland. Merkwaardig genoeg duurde het ruim zeventig jaar voordat Van Dale deze betekenis opnam.

Nog in 1924 kende dit woordenboek alleen dissidenten (meervoud) met als verklaring ‘de niet-Roomschen (in ’t oude Polen)’. Pas in 1950 werd dit gewijzigd in dissident (enkelvoud) voor ‘andersdenkende, inzonderheid in godsdienstzaken’.

Lang was je dus een dissident als je het niet eens was met de katholieke kerk – al dan niet in Polen.

Nu kan je ook als katholiek of protestant een dissident zijn als je binnen een christen-democratische partij vasthoudt aan je christen-democratische normen en waarden.

Reacties op deze rubriek sturen naar: post@ewoudsanders.nl