Vmbo houdt tweedeling in maatschappij in stand

Het vmbo moet weg, de invoering is op een ramp uitgedraaid. Wie naar het vmbo moet, is al mislukt op zijn twaalfde, stelt

Leo Prick.

De scholen zijn weer begonnen. Meer dan de helft van de leerlingen die de basisschool verlieten, zijn begonnen op het vmbo, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, een schoolsoort die betekent dat talloze toekomstmogelijkheden praktisch onbereikbaar zijn geworden.

Dat we dit meer dan de helft van de kinderen aandoen, zou ons met schaamte moeten vervullen. Dat dit niet gebeurt komt doordat degenen die het in onze maatschappij voor het zeggen hebben er maar weinig last van hebben.

De selectie op zo’n jonge leeftijd wordt vooral bepaald door wat kinderen van huis uit meekrijgen. Dankzij die vanzelfsprekende voorsprong krijgen de kinderen van hoogopgeleide ouders doorgaans een havo- of vwo-advies. Hoogopgeleide ouders hebben zelfs baat bij deze maatschappelijke tweedeling. Hun kinderen stromen door naar een school die voornamelijk wordt bevolkt door kinderen met een vergelijkbare sociale achtergrond. Vergeten wordt daarbij dat we er als maatschappij wel degelijk last van hebben dat veel talent wordt vermorst.

Nederland werd voor de invoering van het vmbo, tien jaar geleden onder staatssecretaris Netelenbos (PvdA), alom geprezen om de hoge mate van kansengelijkheid in het onderwijs. Tegenwoordig worden we jaarlijks door de OESO gekapitteld om het tegendeel. Sinds 1999 blijkt niet langer intelligentie, maar sociale achtergrond de bepalende factor voor succes in het onderwijs.

Hoe komt het dat we een goed functionerend schoolsysteem hebben ingeruild voor dit wangedrocht? Tot zo’n tien jaar geleden hadden scholen als gevolg van teruglopende leerlingenaantallen de grootste moeite om hun klassen gevuld te krijgen. Zo lieten havo’s en vwo’s leerlingen toe voor wie de school in feite te moeilijk was. Van doorstroming van mavo naar havo was daardoor geen sprake meer – die leerlingen zaten allang op de havo. Vrijwel alle leerlingen van zowel vbo als mavo gingen dan ook door naar het hetzelfde vervolgonderwijs, het mbo. Die twee schooltypen waren dus één pot nat, zo was de gedachte, dus laten we die maar samenvoegen. En omdat tien jaar geleden politici het nog gewoon vonden om op onderwijs te bezuinigen, werd besloten om daar ook nog het speciaal onderwijs (bedoeld voor allerlei categorieën probleemleerlingen) aan toe te voegen. Niemand leek te beseffen dat die samenvoeging juist haar beslag kreeg toen er een einde kwam aan de leerlingendaling. De havo’s en vwo’s werden weer selectief en namen als vanouds alleen de kansrijke leerlingen aan.

De samenvoeging getuigde ook van naïviteit. Als je verschillende schooltypen samenvoegt met daarbij ook nog probleemleerlingen, zullen deze laatsten het beeld bepalen. Zo’n schooltype komt doorlopend negatief in het nieuws. En hoe divers de opleidingen binnen het vmbo ook zijn, de leerlingen gaan er allemaal gebukt onder het stigma van een negatieve selectie: ze konden niet naar de havo of het vwo.

Waarom accepteren we deze onwenselijke toestand nog steeds? Het had toch voor de hand gelegen de samenvoeging ongedaan te maken toen bleek welke rampspoed er gaande was. Maar belangrijke besluiten terugdraaien gebeurt alleen in het bedrijfsleven onder druk van aandeelhouders. En niemand voelt de invoering van het vmbo in zijn portemonnee. Dus volgt nu een proces van geleidelijke ontbinding met een hernieuwd vbo in de vorm van vakcolleges.

Maar een dergelijke correctie, hoe lovenswaardig ook, vormt niet het gewenste antwoord op de kern van het probleem, namelijk dat van de maatschappelijke tweedeling. Willen we daar serieus een einde aan maken dan moeten we in de eerste plaats het stigma van het vmbo afschaffen. Alleen een radicale breuk met de term vmbo kan ervoor zorgen dat er aan het eind van de basisschool niet alleen winnaars en verliezers zijn.

Daartoe dienen we het eigen karakter van de opleidingen te benadrukken. Naast het vwo en de havo wordt de mavo dan weer als vanouds het schooltype waar je nog alle kanten mee opkunt. Het vbo krijgt dan allerlei beroepsgerichte varianten zoals een agrarische school of een technische school. De keuze voor dat type onderwijs is niet het resultaat van negatieve selectie, maar wordt ingegeven door aanleg en interesse. En het speciaal onderwijs wordt weer ondergebracht in kleinschalige instellingen met gespecialiseerde medewerkers.

Politici zijn sinds de commissie-Dijsselbloem huiverig om in te grijpen in de structuur van het onderwijs. Er was al te veel van bovenaf gecommandeerd. Die terughoudendheid is begrijpelijk. Maar nu wordt er niets ondernomen tegen deze beschamende situatie.

Leo Prick is medewerker van NRC Handelsblad.