Verliefd gebleven op vrouwen en hun vormen

Hij brak na de oorlog de Nederlandse kunst open en was populair bij een groot publiek. Corneille schilderde een eigenzinnige fantasiewereld met vrouwen en katten, vissen en vogels.

Corneille, 1988. Foto Hans de Vries

Corneille, de laatst overgebleven Nederlandse oprichter van de Cobra-beweging, is gisteren op 88-jarige leeftijd overleden in Frankrijk. Drie jaar slechts, van 1948 tot 1951, duurde zijn roemruchte Cobra-periode, maar het was genoeg om hem een leven lang van inspiratie te voorzien. Tot zijn dood bleef Corneille werken aan dat veelzijdige oeuvre, dat niet alleen schilderijen omvat, maar ook tekeningen, aquarellen, grafiek en driedimensionale objecten. Hij was een van de weinige moderne kunstenaars die ook bij het brede publiek intens geliefd was.

Want wie kent niet het zonnige werk van Corneille? Zijn mysterieuze vrouwen, zijn vogels, zijn katten, zijn slangen, zonnen en levensbomen, in bewegelijke vormen en felle kleuren – je komt ze overal tegen aan de wanden van hotelkamers en kantoren. Zijn vrolijk makende dieren en rondborstige dames raakten niet alleen wijd en zijd verspreid via de oplagen van litho en zeefdruk, maar sierden ook broches, serviesgoed en zelfs pennen of stropdassen. Corneille was niet vies van commerciële uitingen, iets wat hem in kunstkringen wel werd verweten.

Corneille is, samen met mede-Cobra-oprichters Karel Appel en Constant, voor de Nederlandse kunst van na 1945 van grote betekenis geweest. Zij wierpen zich op als pioniers, die het in traditionalisme gevangen Nederland openbraken. Al vóór dat proces goed op gang kwam, oogstten met name Corneille en Appel groot succes in het buitenland, waarmee zij, stevig ondersteund door Stedelijk-directeur Willem Sandberg, Nederland op de kaart zetten.

Eén van de grote gebeurtenissen in het leven van Corneille was, na het opengaan van de grenzen in 1945, zijn kennismaking met de École de Paris. Hij stond versteld van het ‘joie de vivre’ van de Parijse kunstenaars, dat zelfs gedurende de oorlogsjaren tot nieuwe bloei was gekomen. Juist die lichtvoetige blijheid heeft hij in zijn eigen werk weten te leggen. De poëtische uitdrukkingskracht van Corneilles oeuvre is uitzonderlijk in de geschiedenis van de Nederlandse kunst, en eigelijk alleen te vergelijken met internationale voorgangers. Hij is de Nederlandse Matisse of Bonnard.

Het was puur toeval dat deze zo Frans georiënteerde kunstenaar bij zijn geboorte, op 4 juli 1922 in Luik, een Franse naam kreeg. Zijn Nederlandse ouders wilden hem Cornelius Willem noemen, maar in deze Waalse streek was alleen Corneille Guillaume toegestaan. Zijn achternaam was Beverloo. In zijn jeugd, die hij in Haarlem doorbracht, was zijn vader, een ingenieur, voor hem onzichtbaar. Des te meer genoot hij van de vele vrouwen in het huishouden: zijn drie veel oudere zussen uit een eerder huwelijk van zijn moeder, zijn vijf jaar jongere zusje en zijn moeder. Hij liet zich verwennen en was zich al jong bewust van het aangename van hun lichamelijke aanwezigheid. Het is de sfeer van deze gelukkige jeugd die Corneille, die zijn voornaam als kunstenaarsnaam koos, eenmaal opgegroeid leek te willen voortzetten. Hij was verliefd op het fenomeen vrouw. Hij wilde vele vrouwen om zich heen hebben. Hij wilde hun vormen weergeven.

Zijn keuze om kunstenaar te worden veroorzaakte een definitieve breuk met zijn ouderlijk huis. Na, gedwongen door zijn vader, enige jaren op een Haarlemse reclameschool, wist hij naar Amsterdam te ontkomen. Met veel moeite werd hij in 1943 toegelaten tot de Rijksacademie. In de barre oorlogsjaren werd academiegenoot Karel Appel zijn grote vriend. Op de academie waren zij verstoken van informatie over de nieuwste ontwikkelingen in de kunst. Corneille kon op hoge leeftijd nog woedend worden over de opvattingen die daar heersten. Van Gogh, die hij ook toen al als zijn allergrootste voorbeeld beschouwde, werd afgedaan als iemand die niet kon tekenen, Matisse als een decorateur.

In 1947 kreeg hij de kans, door een toevallige ontmoeting met een Hongaarse dame op straat, vier maanden in Boedapest te verblijven. Hij zag daar voor het eerst werk van Paul Klee en hij ontdekte er het surrealisme, waarbij vooral Miró een openbaring voor hem was. Vanaf dat moment koos hij voor het vrije experiment. Eenzelfde, zo niet grotere verrassing was het werk van zijn Deense Cobracollega’s, vooral dat van Carl-Henning Pedersen, dat hij in het najaar van 1948 in Kopenhagen zag. Zijn enthousiasme kent geen grenzen. De Denen hadden het allemaal al: de belangstelling voor de kindertekening, de primitieve kunst, de volkskunst en de kunst van geesteszieken.

De kindertekening en vormen van volkskunst, speciaal de Afrikaanse, waarvan hij zelf een grote collectie aan zou leggen, werden de voornaamste bronnen van Corneilles zo kenmerkende beeldtaal. Na de verfijnde Klee-achtige vertellingen uit de Cobrajaren brak er eind jaren vijftig een periode aan waarin de kunstenaar meer abstracte composities maakte, geïnspireerd door de woestijnachtige aardkorst die hij op zijn reizen door Afrika was tegengekomen. Later keerde hij terug naar zijn figuratieve fantasiewereld vol vrouwen en katten, vissen en vogels. Die werd nu stevig omlijnd neergezet in een geraffineerd spel van platte, haast ornamentele vormen, een beeldtaal die zich uitstekend leende voor commerciëlere, toegepaste kunstuitingen.

Met zijn zo gelukkig makende werk, dat over de hele wereld in musea en collecties te vinden is, heeft Corneille vele belangrijke onderscheidingen gekregen. Zo werd hij onder meer benoemd tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hoewel hij de laatste jaren enkele perioden van depressies doormaakte, bleef hij steeds in die lyrische stijl werken. Hij was als de vogel, die vrij rondvliegt boven de aarde, en in poëtische kleuren en vormen, maar ook in dichterlijke woorden in vervoering de heerlijke tuin daar beneden kon overzien.