UPC en Ziggo verdienen grof aan uw kabelaansluiting

Sinds de jaren 90 zijn de kabeltarieven drie keer zo hoog geworden. Aanbieders kennen enorme winsten. De OPTA moet iets doen, betoogt Jaap Doeleman.

De kabeltarieven zijn „exorbitant” volgens de Consumentenbond. Feit is dat ze sinds de verkoop van de gemeentelijke kabelnetten in de jaren 90 bijna verdrievoudigd zijn. Vijftien jaar geleden, toen Amsterdam zijn kabelnet verkocht aan wat nu UPC is, kreeg de kabelabonnee zijn analoge rtv-pakket voor omgerekend 6,50 euro. Thans is dat 16,80 euro, terwijl de inflatie voor deze periode maar 30 procent is.

Zijn de kosten voor het ‘doorgeven’ dan zo gestegen? Ook dat is niet het geval. Bijna tweederde van de netwerkkosten zit in de haarvaten: het stukje tussen het verglaasde hoofdnet, de slagaders, en de kabelaansluiting in huis, zo’n 300 meter ouderwetse koperen coax-kabel naar een huishouden. Aan die huisaansluitingen is na de aanleg van de Nederlandse kabeltelevisienetten dertig, veertig jaar geleden weinig veranderd.

Kortom, de extreem gestegen kabeltarieven laten zich moeilijk verklaren uit een navenante kostenstijging. Nog lastiger wordt dat als men bedenkt dat het kabelnet veel intensiever wordt gebruikt. Vijftien jaar geleden was het enige product het analoge rtv-pakket. Dat nam toen maar een klein deel van de capaciteit in beslag. De rest lag als het ware braak – en vandaar de grote interesse van commerciële partijen om de gemeentelijke eigenaren uit te kopen. Inmiddels begint de kabelcapaciteit te knellen. De helft van de kabelabonnees heeft naast het analoge pakket ook een digitaal rtv-pakket, 40 procent koopt kabelinternet erbij, en 25 procent van de abonnees belt over de kabel.

Met al deze ‘nieuwe’ diensten is de kabel goeddeels gevuld. Dat betekent dat de totale kosten van het kabelnet nu niet meer over één, maar over meerdere diensten kunnen worden omgeslagen. Per saldo leidt dat tot een forse daling van de netwerkkosten voor het analoge rtv-pakket.

Zo bekeken lijkt de kwalificatie van de Consumentenbond dus niet ongegrond. Als het overgrote deel van de netwerkkosten gelijk is gebleven, maar met méér producten terugverdiend kan worden, terwijl het tarief voor het analoge kabelpakket desondanks drie maal zo hoog is als in 1995, dan moet de winst wel geëxplodeerd zijn. Dat zou de tevredenheid van UPC-eigenaar John Malone goed verklaren. In een interview in de Financial Times in 2005 sprak Malone al over „erg hoge” marges en een „lucratieve” markt. Ook verklaart het waarom de private equity-investeerders Cinven en Warburg Pincus een paar jaar terug 5,2 miljard euro hebben betaald voor Casema, Essent Kabelcom en Multikabel, tezamen nu het grootste Nederlandse kabelbedrijf Ziggo, met ruim 3 miljoen huishoudens als klant.

Het verwondert dus niet dat Kamerleden zich al langer opwinden over de prijs van het analoge kabelpakket en de OPTA (Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit) regelmatig aansporen werk van haar taak als toezichthouder te maken. In 2005 probeerde OPTA de directe route: verlaging van het tarief, dat ‘kostengeoriënteerd’ zou moeten worden. Eurocommissaris Neelie Kroes dreigde echter met een veto. Ondanks stevige steun vanuit de andere ‘OPTA’s’ in Europa, werden de plannen ingetrokken.

Na een jarenlange aanloop heeft OPTA het in 2009 tenslotte over een andere boeg gegooid. Dit keer werden de – inmiddels weer gestaag gestegen – analoge kabeltarieven niet direct gereguleerd, maar probeerde OPTA concurrentie te ‘organiseren’. De twee grootste kabelbedrijven Ziggo en UPC moesten hun analoge rtv-pakket door andere partijen, zoals Tele2 en Online, laten wederverkopen. De weeffout in het nu vernietigde besluit is dat OPTA de inkoopprijs niet bepaalt aan de hand van de werkelijke netwerkkosten. Dat laat erg weinig ruimte voor echte concurrentie, ook als een nieuw besluit straks wèl de toetsing van de rechter doorstaat.

Zou het de politiek ernst zijn met de wens de ‘exorbitante’ kabeltarieven te verlagen, dan biedt de tweede OPTA-route alleen maar soelaas als de inkoopprijs van het analoge pakket fors verlaagd wordt. Echter, ook dan is het verre van zeker dat het ‘wederverkoop-model’ tot druk op de kabeltarieven leidt. De nieuwe aanbieders moeten namelijk zélf de uitzendrechten voor alle programma’s in het pakket ‘regelen’, en dat is in de praktijk buitengewoon lastig, zeker voor kleinere partijen.

Om deze redenen verdient heroverweging van de ‘directe route’ sterk de voorkeur. OPTA zou dat zelf kunnen doen, maar ook de NMa heeft de nodige instrumenten en expertise in huis.

De OPTA kan alleen misbruik in de toekomst voorkomen, terwijl de NMa misbruik in het verleden kan corrigeren. In 2005 heeft de NMa de tarieven van UPC en Casema al eens onderzocht. Het rendement van UPC en Casema bleek toen meer dan het dubbele van het volgens de NMa ‘redelijke’ rendement. Dat was voor de NMa echter nog onvoldoende om van ‘buitensporig hoge tarieven’ te spreken. Het sindsdien met meer dan 50 procent gestegen kabeltarief in combinatie met het veel grotere netwerkbeslag van andere diensten, zou in 2010 goed tot een andere conclusie kunnen leiden.

Jaap Doeleman is advocaat-partner bij Houthoff Buruma.