Een natuurlijk talent voor retoriek

Soms ontdek je iets nieuws in de communicatie met de medemens. Ik stond laatst op een verjaardag naast een mij nog onbekend meisje. Ze begon enthousiast tegen me te praten, maar ons gesprek ondervond enige hinder door een bepaald aspect: ze had nogal moeite met verhalen vertellen. Nu vind ik zelf een verhaal vertellen ook

Soms ontdek je iets nieuws in de communicatie met de medemens. Ik stond laatst op een verjaardag naast een mij nog onbekend meisje. Ze begon enthousiast tegen me te praten, maar ons gesprek ondervond enige hinder door een bepaald aspect: ze had nogal moeite met verhalen vertellen.

Nu vind ik zelf een verhaal vertellen ook behoorlijk lastig. Soms heb je iets geweldigs meegemaakt en kan je niet wachten om het smakelijk uiteen te zetten, maar weet je: ik moet dit niet verprutsen. Niet zenuwachtig worden als meerdere mensen je geïnteresseerd en welwillend aankijken. Geen belangrijke details vergeten. Niet eindeloos iedere zin beginnen met ‘en toen en toen en toen’. Of – nog veel erger - plots eindigen met: “Maar eigenlijk had je er gewoon bij moeten zijn.” Er zijn ook mensen die juist een natuurlijk talent hebben voor retoriek, mensen die in een vorig leven Romeins consul, minstreel of dictator waren. Hen kan je in een onbekende groep mensen gooien met de mededeling: “Dit is Frank, hij is heel grappig. Frank, vertel eens dat verhaal van die boze lama in Ecuador!” Voor de meesten onder ons is dat een wisse sociale dood, maar zij deinzen daar niet voor terug.

De haperende verteltechnieken van dit meisje hadden echter niets te maken met zenuwen. Haar probleem was dat ze hoofd- en bijzaken niet erg goed kon scheiden. Wellicht was dit nog best te overleven geweest, als het niet het einde van de zomer was, en ze me trakteerde op een uitgebreid verhaal over haar vakantie.

Vakantieverhalen zijn natuurlijk eigenlijk heel saai. Iedereen maakt min of meer hetzelfde mee: ‘het weer was (…), we gingen vaak zwemmen in (…), de lokale bevolking was (…) en rook naar (…), verder aten we graag in het knusse (…) en kreeg ik (…) van een bedorven (…). En jij?’ Een verhaal over de vakantie is eigenlijk alleen leuk als het gaat over weggewaaide tenten of per ongeluk in je beste Frans levende naaktslakken bestellen.

Het meisje bracht het vakantieverhaal op een nieuwe manier: “Het weer was héérlijk, elke dag lagen we aan het strand. En iedereen was zo vriendelijk! Op een dag besloten we naar een restaurant in een nabijgelegen laat-middeleeuws dorpje te gaan, dus wilden we een auto huren. Het bedrijf had nog een Ford Fiesta uit ’86. Nee… wacht. Hij kwam uit ’87… Klopt dat? Kan dat, ’87? Ik weet het eigenlijk niet meer helemaal zeker. Het kan ook ’86 zijn geweest hoor. Was het eigenlijk wel een Ford? Hebben andere merken ook iets wat klinkt als Fiesta? Nou ja, uiteindelijk bleek dat we allebei ons rijbewijs waren vergeten, dus aten we gewoon spaghetti bij de bistro om de hoek.”

Zij was vast een bijzonder soort minstreel geweest.