De strijdlust van Vladivostok is gedoofd

In 2008 was Vladivostok het decor van grootschalige protesten tegen de Russische regering. Nu is de oppositiebeweging dood. „Niemand wil deze vacante niche financieren.”

„Er bestaat in onze provincie geen onafhankelijke oppositiebeweging meer”, zegt onderzoeksjournaliste Lada Glybina in een café in de haven van Vladivostok. „Het is een vacante niche, die niemand wil financieren, omdat dit je belangen kan schaden.”

Hoe anders was het anderhalf jaar geleden, toen in Vladivostok, in het verre oosten van Rusland, de kansen voor die oppositie zo gunstig leken. Zeker nadat er in december 2008 zo’n drieduizend Russen hadden betoogd tegen de door premier Poetin afgekondigde verhoging van de importbelasting op tweedehands auto’s uit Japan. Niet eerder uitten in het Rusland van Poetin zoveel mensen hun onvrede. Dat was niet zo vreemd, want eenzesde van de 600.000 zielen tellende bevolking van de havenstad was afhankelijk van de import van die auto’s en duizenden dreigden werkloos te worden.

De lokale autoriteiten lieten de demonstranten ongemoeid, waarop het Kremlin twee vliegtuigen met ME’ers stuurde om de betoging de kop in te drukken. Het optreden verleende oppositiebeweging TIGR (Russisch voor ‘tijger’ en afkorting van Kameraadschap van Initiatieven van Burgers in Rusland), die het protest had georganiseerd, een landelijke heldenstatus. De TIGR-aanhang breidde zich uit naar Moskou en Sint-Petersburg. In Vladivostok was een nieuw vuur van de strijd voor rechtvaardigheid ontstoken.

Nu is er van dat vuur weinig over. De tijger is dood, afgeschoten door de overheid, ook al bestaat de organisatie nog wel. „In september vorig jaar verwierven we een officiële registratie van het ministerie van Justitie”, zegt de 34-jarige autohandelaar Denis Zjivoen, een van de oprichters van de beweging. „Maar sindsdien is TIGR als maatschappelijke organisatie praktisch niet meer actief. In november organiseerden we samen met de Communistische Partij nog een demonstratie, maar daar deden amper mensen aan mee. Dat kwam vooral doordat wij er andere ideologische opvattingen op nahouden dan de communisten. Daarom is die samenwerking beëindigd. Niet dat het heeft geholpen, want ook bij onze betogingen op iedere 31ste van de maand, als we opkomen voor artikel 31 van de grondwet (vrijheid van samenkomst), komt bijna niemand opdagen.”

Volgens Glybina bestond TIGR aanvankelijk voor de helft uit journalisten en telde de beweging, die door de belangenvereniging van autohandelaren werd gefinancierd, weinig echte leden. Toch leek TIGR enorm, vooral toen Moskou ME’ers stuurde om het protest neer te slaan. „Na de botsing met de ME nam de aanhang snel af, ook omdat de geheime dienst FSB de autohandelaren, die aan de acties deelnamen, begon te intimideren”, vertelt ze. „Hun gezinsleden werden bedreigd en banken oefenden druk op hen uit. Dat laatste werd vergemakkelijkt omdat die autohandel zich in een half-legaal circuit afspeelt.”

Zjivoen heeft de TIGR uit onvrede verlaten. Zijn beweging is gekaapt door de communisten. „Toen ze zagen dat wij veel jonge mensen aantrokken, begonnen zij zich met succes ook op die groep te richten”, zegt hij. „Hun acties organiseren ze nu samen met het provinciale ministerie van Binnenlandse Zaken.” Het is iets wat Glybina beaamt. „Maar de ideeën van de communisten spreken een meerderheid van de bevolking niet aan. Niet voor niets wordt in onze provincie uit protest altijd op de extreem-nationalistische LDPR van Vladimir Zjirinovski gestemd. Die laat gewoon zien dat onze politiek absurdistisch is.”

Volgens Glybina is de TIGR van toen een heel andere organisatie dan de TIGR van nu. „Op een bijeenkomst van TIGR, afgelopen lente, viel me op dat hun huidige leider, Maksim Vedenjejev, heel dik was met de vicegouverneur. TIGR is duidelijk door de regering overgenomen. De leiding is omgekocht. Het zal me niets verbazen als Vedenjejev een medewerker van de geheime dienst is.”

Zjivoen richt zich nu weer, net als de andere handelaren die Poetins belastingmaatregel hebben overleefd, op het importeren van Japanse tweedehands auto’s. Om de importwet te omzeilen hebben ze een list verzonnen. Aan boord van de schepen zagen ze de auto’s in stukken en voeren die als auto-onderdelen in. „Voor die onderdelen betaal je de helft minder importbelasting”, zegt Zjivoen. „En eenmaal door de douane lassen we die stukken weer aan elkaar. We moeten dan wel nog een technische keuringsverklaring van de douane zien te krijgen waarin staat dat de auto een geheel is.”

Toch voeren de autohandelaren veel minder auto’s in dan vóór de maatregel van Poetin. Kwamen er voor 2009 maandelijks nog tussen de veertig en tachtig autotransportschepen uit Japan, nu zijn dat er hoogstens zes. Zjivoen: „Veel importeurs zijn naar het buitenland of naar Moskou vertrokken. De kleinere bedrijven zijn alle over de kop gegaan.”

De machthebbers in het verre oosten hebben gezegevierd over de oppositie, terwijl er volgens Zjivoen juist nog zoveel onrecht in dat gebied bestaat om tegen te protesteren. „Vorig jaar zijn bijvoorbeeld de wegen in onze stad gerepareerd voor een bedrag van 1,3 miljard roebel (30 miljoen euro). In de lente was dat nieuwe asfalt alweer kapot, wat betekent dat een adequate reparatie nooit is uitgevoerd en het hiervoor bestemde geld door de betrokkenen is gestolen. En nu is er geen kopeke meer over om de andere problemen van onze stad mee te kunnen oplossen.”