Chinese yup ontdekt de jak

Door betere bereikbaarheid en groeiende welvaart neemt het toerisme in China toe.

Jaarlijks komen er nieuwe trekpleisters waar „exotische minderheden” wonen bij.

Tourists take cable car for sightseeing as they take part in a Yangtze cruise tour in southwest China's Chongqing municipality on July 18, 2010. Global tourism faces a challenging year due to the downturn but the future is bright, with a growing middle class in emerging markets eager for travel, industry executives meeting in Beijing say. AFP PHOTO/Olli Geibel AFP

Uitgeput smijten Zheng Li en zijn vriendin Yutian de mountainbikes in het gras. Een Tibetaanse herdersjongen snelt toe en draagt hun waterdichte fietstassen naar een blauw-witte tent met verhoogde, houten bedden, stoof en elektrische verlichting. Een meisje in klederdracht serveert gezouten melkthee waarin een klont vette jakboter smelt, en schaaltjes zonnebloempitten.

Een vakantietafereel aan het Qinghai-meer. De traditionele bestemmingen – Verboden Stad, Grote Muur, Westmeer bij Hangzhou en The Bund in Shanghai – worden jaarlijks uitgebreid met nieuwe reisdoelen in de provincies waar in de ogen van Han-Chinezen exotische minderheden wonen.

„Op deze nieuwe toeristenmarkt zijn vooral de Tibetaanse kloosters en de gebieden met minderheden hot”, zegt Zhao Li, directeur van de Toeristenacademie in Shanghai. Kamperen in een Tibetaans tentenkamp of de hutten van de Miao en de Dai-minderheden, fietsen rondom het Qinghai-meer, kajakken in de bovenstoom van de Yangzi-rivier, wandelen of fietsen in de uitlopers van de Himalaya. De Chinese yuppen ontdekken hun eigen land.

Achter de tent van Zheng Li en Yutian grazen schapen en jaks. De econoom van de Bank of China in Peking en zijn vriendin, student aan de Londen School of Economics, hebben een spectaculair uitzicht over het grootste binnenmeer van China, het Qinghaihu op de Tibetaanse hoogvlakte. Vijftien jaar geleden was dit nog verboden militair gebied. Basis 151 van het Volksleger was een geheime locatie voor het testen van torpedo’s.

Het is de eerste vakantie van Zheng Li en Yutian sinds de verplichte lagere en middelbare schooluitjes naar de geboorteplaatsen van het Chinese communisme. „We hadden nooit tijd, we moesten altijd naar zomerscholen en mijn ouders hadden ook het geld niet”, vertelt Zheng Li.

De ouders van Yutian – zij geeft alleen deze naam – zijn wel vermogend, want anders zou zij niet in Engeland kunnen studeren, maar zij moest altijd „leren, leren en nog eens leren”. „Nu mag ik eindelijk een keer van het leven genieten.” Dat doen steeds meer Chinezen die tot de middenklasse worden gerekend.

Niet alleen de groeiende welvaart heeft dat mogelijk gemaakt, ook de infrastructurele ontsluiting van het zuid- en noordwesten van China. Vliegen naar deze binnenlandse bestemmingen is betaalbaar, treinen was al goedkoop. En een goedkoop, schoon bed vinden is in China nooit een probleem.

Zheng Li en Yutian overnachten twee nachten in dit Tibetaanse tentenkamp, of althans een Chinese versie daarvan, want sommige tenten hebben ook airconditioning. Morgen bezoeken zij het Tibetaanse pretpark aan de rand van het meer.

Daar gaan zij jakrijden, boter karnen, wol spinnen en in een tempeltje geld achterlaten bij een van de talrijke goden. Zij zullen ook worden getrakteerd op volksdans en -muziek. Als ze willen kunnen zij een tochtje langs het meer maken in een golfkarretje of met een busje de herders bezoeken die op de hooggelegen graslanden over hun kuddes waken.

In andere provincies voltrekken zich vergelijkbare taferelen. Bij de Tijgerkloof aan de Yangzi rijden bussen in files en de wegen naar het Shaolin-klooster in Henan zijn altijd vol. De kungfumonniken van dit klooster hebben voor een rel gezorgd door de toegangsprijs te verdubbelen naar 30 euro per persoon. Een eerder plan om het klooster om te vormen tot een beursgenoteerde onderneming stuitte op veel verontwaardiging.

Het Tibetaanse park bij Basis 151 aan het Qinghai-meer wordt geëxploiteerd door een groot, beursgenoteerd toerismebedrijf. De plaatselijke leiding is Tibetaans, maar het management en de aandeelhouders zijn Han-Chinees. De aanpalende restaurants zijn van Tibetanen, net als de winkels. Lengcuqi, een Tibetaanse vrouw van 23 jaar, en haar man verdienen op het pretpark nog geen 400 euro per seizoen van vijf maanden. Zij maakt foto’s van toeristen, hij chauffeert een van de elektrische wagentjes. Zij hebben ook een bed and breakfast en kuddes schapen en jaks. Hun totale jaarinkomen bedraagt nog geen 750 euro. Zij is drie maanden zwanger, maar heeft geen geld om naar een dokter te gaan.

Haar oom daarentegen is een succesvol zakenman. Reqing (61) heeft een keten van winkels met Tibetaanse kledij, juwelen en kruiden. Hij rijdt in een zwarte Toyota Camry dankzij het Han-Chinese toerisme. „Het is waar dat de Chinese reisbureaus, hotels en restaurantketens hier veel geld verdienen, maar het toerisme is ook goed voor ons”, zegt Reqing, die heeft geïnvesteerd in een hotel. Van jaks alleen kan hij niet meer leven. Al moet hij toegeven dat de groep gewone Tibetanen die profiteert van het toerisme nog klein is.

Bekijk enkele ‘etnische optredens’ uit de Chinese themaparken via nrcnext.nl/links