Banken gooiden geld naar risico's

Toen de spanning steeg over de Griekse schuld, bleven banken volop investeren in Europese risicolanden. Een van de redenen: het beleid van de Europese Centrale Bank

Het was dus toch een bankenredding. Terwijl begin dit jaar de spanning in Europa over de houdbaarheid van met name de Griekse staatsschuld toenam, bleven banken in de eurozone hun balansen volladen met hoog rentende maar risicovolle schuld uit de zuidelijke landen. Pas in het tweede kwartaal, toen duidelijk werd dat Griekenland het zonder steun niet zou redden en er een reddingsplan van 750 miljard euro op tafel kwam, brachten banken hun posities op de risicovolle landen weer terug.

Uit de gisteren gepubliceerde kwartaalrapportage van de Bank for International Settlements (BIS, de bank van centrale banken), blijkt dat banken in de eurozone fors meer risicovolle staatsobligaties op hun balansen hadden staan dan veiliger papier uit bijvoorbeeld Frankrijk of Duitsland. Meer dan de helft van hun Europese staatsobligaties was afkomstig uit de zogenoemde ‘Piigs’ (Portugal, Ierland, Italië, Griekenland en Spanje). Voor banken buiten de eurozone geldt precies het tegenovergestelde: Britse, Amerikaanse en Japanse banken hadden ongeveer een kwart van hun euro-staatspapier in de Piigs belegd, en een kleine 60 procent in veilige landen als Duitsland en Frankrijk.

In totaal nam de blootstelling van banken aan publieke en private schuld uit de probleemlanden in het eerste kwartaal van dit jaar toe met 109 miljard dollar (85 miljard euro, ofwel 4,3 procent) tot 2.600 miljard dollar. Duitse en Franse banken zitten het zwaarst in schuldpapier uit de probleemlanden. Duitsland heeft voor 51 miljard dollar aan Griekse schuldpapier (waarvan 23 miljard staatsschuld), Frankrijk voor 111,6 miljard (waarvan 27 miljard staatsschuld). Ter vergelijking: Amerikaanse banken hebben in totaal voor 41 miljard dollar aan Griekse schuld waarvan ruim 5 miljard aan staatsschuld.

De BIS geeft twee verklaringen voor de scheefgroei. Ten eerste zouden banken in de eurozone beter in staat zijn geweest de risico’s van hun zwakke broeders in te schatten dan landen buiten het gebied. De tweede verklaring is echter interessanter, omdat het mogelijk een onbedoeld effect van het beleid van de Europese Centrale Bank blootlegt.

De ECB biedt banken al enige tijd de mogelijkheid om onbeperkt geld te lenen tegen een historisch laag tarief van 1 procent. Het enige dat banken daarvoor moeten doen is onderpand inbrengen met dezelfde omvang als de lening. De ECB heeft staatsobligaties uit veilige landen altijd net zoveel waarde toegekend als staatsobligaties uit onveilige landen, terwijl de rendementen daarop fors verschilden. Ter illustratie: een Griekse staatsobligatie kent rendementen tot 13 procent, terwijl Duitse obligaties het dezer dagen tegen 2,5 procent moeten doen. Daar hebben banken gebruik van gemaakt.

Zo pakten de banken het hoge rendement op de Zuid-Europese staatsobligaties, terwijl ze de facto geen risico liepen. Voor banken buiten de eurozone was het staatspapier uit de zuidelijke lidstaten weliswaar hoog rentend, maar ook moeilijk verhandelbaar. De BIS schrijft: „Voor de eurobanken was dat minder een probleem dan voor ander banken, omdat de eurobanken deze schuld liquide konden maken in hun operaties bij de ECB”. Inmiddels heeft de ECB aangekondigd haar onderpandbeleid aan te passen. Vanaf 1 januari krijgen banken voor hun onderpand uit landen die een lagere kredietwaardering hebben een korting tot 13,5 procent op de nominale waarde van hun schuldpapier. Daarmee verdwijnt de perverse prikkel om hoogrentend papier te verkiezen boven laagrentend.