Zet snel het mes in het doolhof van studierichtingen

De voortijdige uitval van studenten kan makelijk voorkomen worden: pin ze niet meteen na hun eindexamen vast op een studie.

Socioloog. Dean van Roosevelt Academy, oprichter van University College Utrecht.

Opnieuw heeft een lichting studenten zich voor een universitaire studierichting ingeschreven. Van die lichting zal binnenkort een fors percentage afhaken of switchen. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) heeft berekend dat de maatschappelijke kosten daarvan zes miljard bedragen. In een tijd van noodzakelijke bezuiniging is dat nóg meer zonde van het geld. De vraag is alleen of er iets aan te doen valt, want het probleem lijkt van alle tijden.

Hele generaties afgestudeerden herinneren zich vast wel een professor die het eerste college begon met de mededeling nog eens goed naar beide buren te kijken, want die zouden er over een maand niet meer zijn. Vroeger gold zo’n bericht als bewijs van de moeilijkheidsgraad van de gekozen studierichting, maar intussen is duidelijk dat het met die moeilijkheidsgraad wel meevalt: uitval en switchen zijn de dure gevolgen van een verkeerde studiekeuze, verlies aan motivatie, gebrekkig contact met de instelling en soms gewoon verveling. Het probleem is intussen zo groot geworden dat de afstudeerrendementen van universiteiten berekend worden als percentage van het aantal inschrijvingen in het tweede, in plaats van in het eerste jaar. Dat staat een stuk netter en die eerstejaarsuitval hoeft dan niet te worden meegenomen.

Het kabinet heeft al in 2007 een bedrag oplopend tot 75 miljoen per jaar uitgetrokken om via betere voorlichting de uitval in 2015 te halveren. Echt geholpen heeft het niet en ook dit jaar zal de uitval weer onverantwoord groot zijn. Opnieuw pleit het ROA voor betere voorlichting. Ook zouden universiteiten motivatiegesprekken moeten voeren, zouden ouders hun kinderen moeten stimuleren om niet meteen te gaan studeren en zouden vwo-abituriënten beter eerst kunnen gaan backpacken. Die laatste suggesties deed Tweede Kamerlid Boris van der Ham (D66) vorige week in deze krant. Anderen suggereren dat studenten en hun ouders meer geld moeten investeren in hun studie: dan zouden ze de moed minder snel opgeven. Dan zijn er natuurlijk ook nog mensen die allang hun vertrouwen in de jeugd hebben verloren.

De genomen maatregelen en goedbedoelde adviezen zetten niet veel zoden aan de dijk. De echte oorzaak van het fenomeen ‘dolende student’ ligt namelijk niet in gebrekkige voorlichting. Ook is het niet de schuld van de middelbare school of van de individuele student of zijn ouders. Als er al een schuldige valt aan te wijzen, dan liever het doolhof aan universitaire studierichtingen. Dat zijn er intussen zoveel geworden dat daar niet tegenop valt voor te lichten: tussen bijna vijfhonderd (!) studierichtingen is het lastig zoeken naar die ‘ware Jacob’, daar helpt geen lieve voorlichter aan.

Moeten we het dan maar opgeven? In een land waar het studierichtingenstelsel heilig is, lijkt er niet veel anders op te zitten. Maar van universiteiten zou je mogen verwachten dat ze over hun grenzen heen kijken; dat ze zich afvragen waarom het probleem op Amerikaanse universiteiten niet of nauwelijks bestaat. Het antwoord op die vraag is bovendien verrassend simpel: op Harvard, Yale, Princeton en Berkeley bestaan er in de bachelor-fase überhaupt geen studierichtingen. Amerikaanse studenten gaan naar college en vinden daar uit welke hoofdrichting ze zullen inslaan. Al die instellingen zweren bij een Liberal Arts & Sciences-opbouw van hun bachelor-programma, waardoor studenten tijdens hun studie geleidelijk ‘inzoomen’ op een hoofdvak. Dat hoofdvak of major is vaak een ander dan de student bij binnenkomst in gedachten had. Laatst sprak ik op Harvard een tweedejaarsstudent die aanvankelijk het idee had ‘iets met literatuur en linguïstiek’ te gaan doen. In de loop van zijn eerste jaar was hij via de natuurkunde bij de sterrenkunde terechtgekomen en had besloten tot een major in astrophysics. Toen ik hem zei dat hij in Nederland die keuze had moeten maken voordat hij naar de universiteit was gegaan – en niet pas in zijn tweede jaar – keek hij me vol ongeloof aan. Zijn conclusie sloeg overigens in als een meteoriet. „Dus”, zei hij, „dezelfde student die in Amerika op Harvard wordt geaccepteerd en het daar nog goed doet ook, wordt in Nederland een drop-out. Dan moeten jullie wel veel van die drop-outs hebben!”

Het Bologna-akkoord van 1999 had aan het bamboebos aan studierichtingen een einde kunnen maken. Met het onderscheid tussen bachelor en master kon de bachelor-fase immers voor het eerst een eigen gezicht krijgen en de goede voorbeelden lagen voor het oprapen.

Desondanks zijn sindsdien heel wat studierichtingen gewoon in tweeën gesplitst, waardoor de bachelor-fase in sommige universiteiten nu vol zit met halve studierichtingen. Ook worden suggesties voor doorbreking van het studierichtingenstelsel in de bachelor-fase meestal resoluut van de hand gewezen. Nog niet zo lang geleden beweerde de vorige minister van Onderwijs dat een Liberal Arts & Sciences-opbouw van de universitaire bachelor-fase misschien best aardig was voor studenten die niet wisten wat ze moesten gaan studeren, maar dat je er natuurlijk nooit de Nobelprijs in de natuurkunde mee kon winnen. Hij vergat dat de Amerikaanse winnaars van die prijs – en dat zijn er nogal wat – allemaal hun carrière met zo’n door hem verguisde bachelor zijn begonnen; George E. Smith in 2009 zelfs met een BA en niet eens een BSc.

Het zou goed zijn als de volgende minister de wettelijke belemmeringen wegneemt voor een eigentijdse opzet van de universitaire bachelor-fase. Voor slechts een fractie van die zes miljard euro per jaar zou het doolhof door de universiteiten kunnen worden verbouwd tot een stelsel dat in hoge mate uitval-proof is en waarin switchen, gegeven de geleidelijke opbouw van het studiepad, niet eens meer kan bestaan. Dat stelsel maakt studenten zelf verantwoordelijk voor hun eigen academische studiepad en (pre-)specialisatie, en dat alles binnen wel omschreven keuzeregels.

Wat er in zo’n stelsel nog aan uitval resteert, is dan niet meer de schuld van de wetgever. Nu wel, want wie een doolhof creëert, moet niet vreemd opkijken als er mensen de weg kwijtraken. En ook na een jaartje backpacken is het doolhof niet verdwenen.