Vriendendienst werd een kostbare grap

Willem Scholten, de gewezen algemeen directeur van het Rotterdamse Havenbedrijf, staat maandag terecht in de grootste ambtelijke omkopingszaak ooit.

Hij was de gevierde man van Rotterdam en verre omstreken. De onderkoning van de stad. De grote baas van de grote haven, de belangrijkste sector van de regio. Willem Scholten. Een ras-Rotterdammer met een groot (sociaal) netwerk, die zich even gemakkelijk beweegt in de Kuip waar hij bestuurslid was bij Feyenoord als in de boardrooms van multinationals. Hij bouwde een hechte vriendschap op met zijn toenmalig hoogste baas, burgemeester Bram Peper en diens toenmalige vrouw, Neelie Kroes.

Die gevierde man heeft zich de afgelopen zes jaar muisstil en verborgen gehouden. Voor een flamboyante topbestuurder moet dat een kwelling zijn geweest.

Maar Willem Scholten zit sinds de zomer van 2004 in het nauw. Hij wordt verdacht van valsheid in geschrifte en ambtelijke omkoping – de omvangrijkste omkopingszaak ooit in Nederland. Maandag moet hij zich verantwoorden voor de strafrechter. Voor de zaak heeft de rechtbank de komende weken vijf dagen uitgetrokken.

In augustus 2004 kwam uit wat Scholten jaren had verzwegen. Hij had in het diepste geheim voor tientallen miljoenen aan garanties verstrekt aan defensieconcern RDM van zakenman Joep van den Nieuwenhuyzen, met wie hij sinds de jaren negentig bevriend was. Zonder zijn management en zijn toezichthouders te informeren had directeur Scholten in de jaren 2002-2004 zestien keer zijn handtekening gezet onder een verklaring die het Havenbedrijf garant stelde voor leningen van banken en particulieren aan het RDM-concern, dat in die tijd al weinig solvabel was.

Bij elkaar ging het om ruim 184 miljoen euro. Scholten was formeel bevoegd om leningen en borgsommen aan derden te verstrekken, maar slechts tot op zekere hoogte, niet oplopend tot deze bedragen. Hij bewaarde de administratie ervan niet op kantoor.

Toen de belangrijkste werkmaatschappijen van RDM in augustus 2004 failliet gingen, bleef het Havenbedrijf met een aantal waardeloze – of kostbare – onderpanden zitten, onder meer het zwaar met asbest verontreinigde historische stoomschip Rotterdam en een overgewaardeerd datahotel in Frankfurt.

De grootste financiers van RDM, de Duitse Commerzbank, de Britse Barclays bank en de Nederlandse investeringsmaatschappij Residex, eisten hun miljoenenleningen terug – er stond nog ruim 100 miljoen open. In talloze civiele procedures zijn de meeste claims door het Havenbedrijf afgeslagen. Twee zaken lopen nog in hoger beroep.

Een drietal particuliere investeerders uit het netwerk van Scholten, die in 2004 ieder 2,5 miljoen aan RDM hadden geleend voor de aankoop van de ‘Rotterdam’, zijn door het Havenbedrijf vrijwillig schadeloos gesteld. Zij waren volgens de huidige directie destijds veel minder dan de grote banken in staat om te achterhalen dat Scholten met zijn garanties zijn boekje te buiten was gegaan.

In zijn verklaring aan het gemeentebestuur, die in de nazomer 2004 openbaar werd, liet Willem Scholten weten dat hij met het omvangrijke garantieprogramma had gehandeld in het publieke belang van de haven en de werkgelegenheid. Hij was van mening dat de RDM, sinds 1991 in handen van Van den Nieuwenhuyzen, steun verdiende voor het in oktober 2002 vrijwillig annuleren van een miljardenorder voor Taiwan. Daardoor was immers een veel grotere klant van de Rotterdamse haven, China, als handelspartner behouden. De Volksrepubliek had gedreigd met een boycot als RDM zou meewerken aan de levering van acht duikboten aan zijn aartsvijand Taiwan.

Van den Nieuwenhuyzen had in Den Haag vergeefs gevraagd om compensatie voor het laten schieten van de order. De overheid was in een soortgelijke situatie in 1994 de RDM wel bijgesprongen, onder bemiddeling van dezelfde Willem Scholten. Maar Den Haag gaf dit keer niet thuis.

Scholten sprong opnieuw voor Van den Nieuwenhuyzen op de bres, ditmaal persoonlijk. Hij liet in een eind december 2002 getekend contract met Van den Nieuwenhuyzen vastleggen dat het Havenbedrijf voor ‘minimaal 100 miljoen euro’ garant zou staan voor het aflossen van leningen van derden. In dat document noemde hij expliciet de dreiging met handelssancties door China, onder meer „het verleggen van vervoer dat thans naar de Rotterdamse haven plaatsvindt.”

Volgens Justitie, dat kort na de ondergang van RDM haar tanden in de zaak zette, heeft Scholten een heel ander motief gehad om zijn vriend Van den Nieuwenhuyzen te helpen. Opsporingsdienst FIOD-ECD stuitte in het Zwitserse Zürich op een geheime nummerrekening bij de Hugo Kahn Bank. Daarop was in de periode maart 2001-november 2002 in drie tranches een bedrag van ruim 1,2 miljoen euro overgemaakt vanuit Van den Nieuwenhuyzens houdstermaatschappij RDM Holding NV op Curaçao, zo blijkt uit de dagvaarding. De coderekening bleek op naam te hebben gestaan van W.K. Scholten te Rotterdam.

In juni 2004, kort voor hij een van de garanties aan het gemeentebestuur zou opbiechten, liet hij de Zwitserse rekening liquideren. Het resterende saldo van ruim 1 miljoen maakte hij over naar de Egyptenaar Mohammed Shilbaya, een oude zakenvriend uit de tijd dat Scholten nog bij sleepbedrijf Smit Internationale werkte. Shilbaya kocht een aantal dagen later voor een half miljoen euro Scholtens vakantiehuis in Zuid-Frankrijk.

Ambtelijke omkoping dus, concludeert justitie, in plaats van compensatie uit economische overwegingen aan een bekende zakenrelatie.

Een tweede gift aan Scholten zou in natura zijn voldaan: hij mocht in 1999 enige tijd gebruikmaken van een appartement van Van den Nieuwenhuyzen aan de Antwerpse Van Dijckkaai, met uitzicht over de Schelde.

Het Openbaar Ministerie vermoedt dat de basisovereenkomst voor het garantieprogramma van Scholten aan Van den Nieuwenhuyzen van december 2002, pas later door beide heren is opgemaakt om de miljoenenverplichtingen achteraf te kunnen legitimeren. Dit leidt tot een tweede beschuldiging in de dagvaarding: valsheid in geschrifte. Net als een aantal van de individuele garanties valselijk zouden zijn opgemaakt.

Door Willem Scholtens nauw betrachte radiostilte is onduidelijk op welke wijze hij zich de komende weken zal verweren. Vermoedelijk speelt de Egyptenaar Mohammed Shilbaya een sleutelrol in het proces. Volgens Scholtens advocaat Peter Baauw, die de Egyptenaar eerder dit jaar liet oproepen als getuige, is Shilbaya niet alleen een oude bekende van Scholten maar verrichtte hij ook advieswerkzaamheden voor Van den Nieuwenhuyzen. Met name bij pogingen van RDM om onderzeeboten aan Egypte te slijten, pogingen die op niets uitliepen. Dat zou een honorarium van Van den Nieuwenhuyzen richting de Egyptenaar allicht kunnen verklaren. Al zal Scholten moeten uitleggen waarom dat dan via een geheime rekening in Zwitserland gaat, op naam van Willem Scholten. En waarom de doorbetaling aan de Egyptenaar twee tot drie jaar later plaatsvindt.

Volgens een naaste bekende van Scholten is de zaak bij advocaat Baauw in goede handen. Bram Peper, de oud-burgemeester van Rotterdam, ziet Scholten nog geregeld en heeft zich in de zaak verdiept. In het begin van het strafrechtelijk onderzoek is hij als getuige gehoord. Niet als direct betrokkene, legt Peper aan de telefoon uit, maar om uit te leggen hoe de verhouding tussen het Havenbedrijf en het gemeentebestuur is.

Volgens Peper, die „geen geloof hecht” aan het omkopingsverhaal, heeft advocaat Baauw de nodige munitie aan tegenbewijzen verzameld. „Baauw heeft de zaak nooit mooier voorgesteld dan ie is, maar hij is de laatste tijd redelijk militant geworden.”

De laatste keer dat Peper Scholten zag – vorige week – was hij onder de indruk van diens gemoedstoestand. „Dat hij zes jaar lang op de behandeling van de zaak heeft moeten wachten is geen kleinigheid. Onder de omstandigheden vond ik hem in goeden doen.”