Inspectie en toezicht - het aanbod creëert de vraag

Het toezichtwezen roert zich. Binnen enkele weken na elkaar meldden zich, weliswaar in verschillende media, inspecteur-generaal Harry Paul van de VROM-inspectie en plaatsvervangend hoofdinspecteur Irene Albers van de Inspectie Jeugdzorg. Harry Paul is ook voorzitter van de Inspectieraad, een overkoepelende club van toezichthouders die van het kabinet moet uitzoeken hoe Nederland kan functioneren met minder inspectie en toezicht.

Dat laatste gaat niet lukken, weet Paul in het Financieele Dagblad als vaststaand feit te melden. Nederland wil volgens hem steeds meer risico’s uitbannen, dus de vraag naar toezicht zal alleen maar toenemen.

Albers laat korte tijd later in de Volkskrant van zich horen met een verhaal dat nader illustreert waarom minder toezicht er voorlopig niet in zit. De inspecties, of in ieder geval die van Albers, hebben de wijsheid in pacht. Bovendien bezetten zij een positie van morele superioriteit, want wie mag inspecteren en beoordelen, is altijd beter en hoger dan het lage volk dat probeert in de markt een boterham te verdienen. En ten slotte zijn er altijd misstanden, die moeten natuurlijk bestreden worden en wie moeten dat anders doen dan de dolende ridders van het toezichtwezen?

De bezorgdheid van Albers over misstanden spreekt boekdelen. Een van de gebieden waar haar inspectie over gaat is de particuliere jeugdzorg. Daar komt nog veel onveiligheid voor, want „ex-medewerkers, stagiaires en gezinsvoogden melden dat […] kinderen met vaak ernstige problemen in het ergste geval geen zorg wordt geboden, [zij] soms hardhandig worden aangepakt en te maken krijgen met ongeschoold personeel”. Er is veel leed op de wereld, en Albers weet zich geroepen om dat recht te zetten.

Er zijn lange wachtlijsten voor jeugdzorg. „Overal doemen er initiatieven op”, zegt Albers, bijvoorbeeld in de vorm van zorgboerderijen. Iedereen kan iets beginnen, want erkenning of registratie is niet verplicht, en de inspectie van Albers staat daar met lege handen, want die gaat alleen over instellingen die wel geregistreerd zijn. Maar het ergste is nog dat deze initiatieven „vaak werken vanuit een commerciële drijfveer”, en dat is een risico. „Professionele organisaties stellen de groepen heel zorgvuldig samen, maar in de private opvang zit vaak alles door elkaar en dat kan heel onveilig zijn.”

De inspectie van Albers heeft een model in het hoofd hoe het wel moet, dat is duidelijk. En zij wil met het middel van registratie en erkenning dat model ook doorgevoerd krijgen. Zo eigent zij zich een macht toe die haar niet toekomt.

Daarbij maakt zij een opmerking over ouders die het persoonsgebonden budget (PGB) van een kind besteden bij een commerciële instelling. De bedoeling van het PGB is dat de ouders toezien op de kwaliteit van de geboden zorg. Maar Albers betwijfelt of die daar wel altijd toe in staat zijn. Dat zal haar inspectie dan wel regelen – en dus ook voor het merendeel van de ouders die dat prima kunnen en helemaal niet zitten te wachten op het model van Albers.

Werkgeversorganisatie VNO/NCW noemt de groei van het toezichtwezen „zelfrijzend bak-meel”. Het wereldbeeld van Albers is het bakpoeder dat het rijzen veroorzaakt. Het is de pretentie van morele superioriteit, een manicheïsch wereldbeeld met de goeden aan deze kant en de krachten der duisternis aan gene zijde, en een laatste residu van het geloof in een maakbare samenleving – waarin de inspecties dan wel niet de architecten zijn met hun ontwerpmacht, maar toch ten minste optreden als de bouwopzichters met hun afkeuringsmacht.

Hoofdinspecteur Paul voegt nog een boeiend element aan dit wereldbeeld toe, wanneer hij een toenemende behoefte aan toezicht verbindt met de stelling dat Nederland steeds meer risico’s uitgebannen wil zien. Dat is interessant om twee redenen.

Ten eerste dat hij het heeft over vraag en aanbod, maar over het hoofd ziet dat in veel sectoren niet het aanbod wordt veroorzaakt door de vraag maar omgekeerd. Het aanbod creëert de vraag. Er zijn tegenwoordig zo krankzinnig veel toezicht- en inspectiewinkeltjes, die allemaal in de media gratis reclame mogen maken met hun alarm- en treurverhalen, dat menig consument toch maar eens gaat kijken of er voor hem ook iets van zijn gading is. Dan blijkt het product nog eens niets te kosten ook (want ze werken – hoe zuiver! – niet commercieel maar worden betaald uit de algemene middelen) dus allicht dat menigeen er wegloopt met een ingevuld klachtenformulier of gerapporteerde misstand.

Dat werpt overigens tegelijk een licht op de vraag die de Inspectieraad moet beantwoorden, over hoe de toezichtdruk in dit land te verminderen valt. Pak niet de vraagkant aan maar het aanbod, gewoon door de helft van de winkeltjes te sluiten. Verbied en bestraf alle mediasluikreclame. Hang een prijskaartje aan het product ‘klacht’. En wees erop voorbereid dat dit tot stormen van moreel getinte woede zal leiden, inclusief gruwel- en tranenverhalen in de media.

Maar er is nog een tweede punt in het verband dat Paul legt tussen toenemende vraag naar inspectie en toezicht en verminderde risicotolerantie. Het een heeft namelijk niets met het ander te maken. Of, anders gezegd, als Paul suggereert dat alle inspecties bij elkaar bezig zijn de risicoallergie in dit land te verlichten, dan is hij bezig met kwakzalverij.

Het is namelijk niet alleen onwaar, het werkt omgekeerd. Meer inspecties en toezichthouders vergroten de woede en het onbegrip bij de bevolking wanneer er dingen desondanks fout gaan. Er waren immers mensen die zouden opletten dat het niet zou gebeuren?

En – zie boven over gratis publiciteit – hoe meer toezicht, des te meer echt of vermeend kwaad er te rapporteren zal zijn. Want onder elke afgegraven laag op de stortplaats van het menselijk gedoe komt altijd weer nieuwe vuilnis te voorschijn. We zijn namelijk mensen. Een vuilnisloze vuilnisbelt is een prachtige baangarantie voor de afgravers, maar wie daarop uit is, legt de samenleving stil. Op veel plekken is het al aan het gebeuren.