Indiaanse 'Taal van de maag' duikt op achterop oud briefje

Tussen de brokstukken van een ingestort kerkje uit de zeventiende eeuw in Noord-Peru zijn de resten van een onbekende indianentaal gevonden, in de vorm van een lijstje telwoorden. Het in kennelijke haast opgeschreven lijstje uit het dorpje Magdalena de Cao staat op de achterkant van een kort Spaans briefje over de prijs van een rol katoen, gericht aan een priester, ergens vroeg uit de zeventiende eeuw. Er is zo weinig bekend van de Indiaanse talen uit deze periode dat het lijstje onderworpen werd aan een minutieuze studie door een zestal taalkundigen (American Anthropologist, september).

Het bleek een tot nu toe onbekende taal, die niet lijkt op het Mochica (dat nog tot in de negentiende eeuw werd gesproken) en ook niet op het Quechua (dat in verschillende varianten nog altijd wordt gesproken). Waarschijnlijk staan op het briefje getallen in een taal die indertijd aan de Peruaanse kust door vissers werd gesproken: het Pescadora. In een van de spaarzame Spaanse opmerkingen over deze taal schreef de franciscaner monnik Antonio de la Calancha rond 1650 dat het ‘een taal voor de maag’ was: ‘kortaf, taai-klinkend, vol keelklanken en knorrig’. De telwoorden uit Magdalena de Cao voldoen aan die verwijten: kort en vaak eindigend op medeklinkers – veel meer dan de telwoorden die bekend zijn uit andere talen van die tijd. Volgens De la Calancha werd de visserstaal vaak gebruikt in de handel en dat zou ook de reden kunnen zijn geweest waarom een Spanjaard het indertijd de moeite waard vond de getallen op te schrijven: uno—chari, dos—marian, tres—apar, 4—tau, 5—himic [?], 6.—sut [?], 7—canchen, 8.—mata, 9—yucan, 10—bencor, 21. maribencor chari tayac, 30 apar bencor, 100 chari pachac, 200 mari pachac. Het getal 8 (mata) is waarschijnlijk ontstaan uit 2x4 (marian tau). De getallen 4, 6 en 7 zijn mogelijk ooit ontleend aan het Quechua, maar de andere getallen lijken dus niet op bekende Indiaanse telwoorden. Hendrik Spiering