'Een gekwelde apostel'

De apostel Paulus is cruciaal voor het christendom. Met een recente vertaling van diens brieven aan de Romeinen wil Gerard Koolschijn bijdragen aan de strijd tegen fundamentalisme. ‘Hopelijk gaan bij enkele christenen de ogen open.’

Geen boek dat zo eindeloos vertaald is als de Bijbel. Omdat er steeds hedendaagse taal nodig is natuurlijk, maar ook omdat nieuwe vertalingen ons de illusie geven dat we nu dichter bij de ‘echte’ tekst gekomen zijn. Zo kon het gebeuren dat de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004 de lezer de indruk gaf dat allerlei voorheen duistere passages eigenlijk helemaal zo duister niet zijn.

Neem Paulus, wiens brieven aan de vroegste christelijke gemeentes bepalend zijn geweest voor de geschiedenis van het christelijk geloof en de christelijke kerk. Die brieven waren hier en daar bijzonder duister. Maar in de nieuwe vertaling leek het mogelijk ze toch te begrijpen. Eindelijk!

Dat is een vergissing, vindt vertaler Gerard Koolschijn (1945). Toen de nieuwe vertaling werd gemaakt, was hij een van de deskundigen die gevraagd werd om commentaar te geven op onderdelen van de Nieuwe Bijbel Vertaling voordat die verscheen. Zijn commentaren waren niet bepaald lovend en vooral aan de Paulusvertalingen ergerde hij zich: ‘slappe dominees parafrasen’ trof hij erin aan, je kreeg er moderne theologie in te lezen in plaats van wat Paulus beweerde. „Het klonk alsof het wel normale taal was”, zegt hij, „maar Paulus schrijft geen ‘normaal’ Grieks. Rare formuleringen als ‘in Jezus’ of ‘in Christus’ moet je laten staan, zoals ook mensen ‘in’ Lou de Palingboer waren. Als je iets vertaalt, moet de sfeer van de tekst bewaard blijven, de stem van de schrijver. Niet met moderne zegswijzen aankomen, dingen toevoegen, of zelfs verduidelijken – dat is niet de taak van een vertaler.”

Koolschijn maakt er geen gewoonte van om bijbelteksten in het Nederlands om te zetten: hij is vooral bekend en geprezen om zijn vertalingen van veel klassieker Grieks, dat van de tragedieschrijvers Aischylos, Sophokles en vooral Euripides. Hij vertaalde en becommentarieerde Plato en maakte een toneelstuk van de letterlijke tekst van Homerus’ Ilias, waarin de goden er niet bepaald gunstig afkomen – een ruziënd zootje is het, dat uit verveling en onderlinge naijver verregaande beslissingen neemt over het lot van de mensen.

Koolschijn speelde wel altijd met de gedachte eens iets uit de Bijbel te vertalen. Hij is in zijn jeugd meer dan ruimschoots met bijbelteksten in aanraking gebracht. En toen er weer christenen in de regering zaten en de islam een steeds belangrijker rol begon te spelen, besloot hij Paulus’ brief aan de Romeinen te gaan vertalen. Er is geen tekst die voor het christendom van grotere betekenis is geweest.

De vier evangeliën waarin het leven en de handelingen van Jezus beschreven worden, zijn uiteraard niet onwegdenkbaar, maar de Kerk heeft zich vooral op Paulus gebaseerd. Met hem begint de theologie. Paulus heeft de christelijke God vormgegeven, een wezenlijk andere God dan de joodse of de mohammedaanse. Paulus inspireerde de vroege kerkgemeentes, ging naar ze toe, schreef ze brieven waarin hij uiteenzette hoe ze het allemaal moesten zien. Die brieven worden tot op de dag van vandaag gelezen en als richtinggevend beschouwd.

Eigenlijk is dat ontmoedigend dat wij zo’n tweeduizend jaar na dato nog steeds over Paulus praten, zegt Koolschijn. „Het geeft weinig hoop voor de toekomst van de mensen dat we het nog steeds over die bizarre en nogal kinderlijke teksten hebben.”

Paulus, van een vervolger van de vroegste christenen veranderd in een vurig gelovige, legt er vooral in zijn brief aan de Romeinen, de christelijke gemeente in Rome, de nadruk op dat God rechtvaardig is en de mensen zondig.

Uit de vertaling van Koolschijn: ‘Allen hebben gezondigd en schieten te kort voor Gods glorie, terwijl zij gratis door zijn genade worden gerechtvaardigd door middel van vrijkoping in de Gezalfde Jezus, die God ter beschikking heeft gesteld als zoenoffer door middel van geloof in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, wegens het voorbijgaan aan de eerder begane misdrijven in de verdraagzaamheid van God – voor het tonen van zijn rechtvaardigheid in de huidige tijd, waardoor hij rechtvaardig is ook wanneer hij degenen die geloven in Jezus rechtvaardigt.’

Wat staat daar eigenlijk?

„De schepselen die God heeft gemaakt zijn gaan zondigen en verdienen straf. Omdat God rechtvaardig is, is een straf noodzakelijk. Maar in plaats van ons, straft hij zijn zoon.

„Dat moet je geloven om vergeven te worden.”

Loopt u niet het gevaar dat men u zal verwijten dat u dit expres duister vertaald heeft?

„Nou, u hebt nu ook wel de allerduisterste passage gekozen, waarover uitentreuren is getheoretiseerd. Er zijn alternatieve vertalingen mogelijk. Afgezien daarvan heb ik altijd serieus genoeg vertaald om dat verwijt nu te ontzenuwen. Wie op de hoogte is, weet dat Paulus bekend staat om zijn onlogische en kromme schrijven.

„Al proberen veel Christenen hun Paulus te redden door te zeggen dat mijn frustraties over mijn jeugd waarin dominee Paauwe een grote rol speelde, van invloed zijn op mijn vertaling.”

Dominee Paauwe is de dominee die model stond voor de leider van de sekte die in Jan Siebelinks boek Knielen op een bed violen zo’n belangrijke rol speelt. Koolschijn bevond zich als zeer klein kind al onder het gehoor van deze dominee, maar benoemt zijn gevoelens over zijn godsdienstige opvoeding nu met het woord ‘jeugdsentiment’, vergelijkbaar met wat hij voelt voor bijvoorbeeld de boeken van Karl May.

Wel legt hij zo nu en dan verband tussen het succes van de leer van Paulus en de gretigheid waarmee mensen de prediking van dominee Paauwe indronken, met name waar het gaat om de nietswaardigheid van de mens.

Koolschijn: „Paulus zegt: je hoeft in dit leven helemaal geen succes te hebben, het hele aardse leven stelt niets voor. Hij stelt daar het eeuwig leven tegenover, dat je kunt krijgen zonder dat je er iets voor hoeft te doen. Je hoeft het alleen maar te geloven. Dat ontslaat je van de plicht iets van het leven te maken.

„De kerken zaten helemaal vol als Paauwe preekte, die zei: ‘Pas als een mens ziet dat hij niets waard is, dat jij helemaal niets bent en dat God alles is, pas dan ben je er.’

„Waarom willen mensen zulke dingen horen? Ze stortten veel geld in de collectezakken als hij preekte. Was dat vanwege de boodschap, of vanwege de bevlogenheid van degene die op de kansel staat? Ik denk dat mensen op zo’n alarmroeper af komen, ze denken dan: ‘dat zou wel eens echt en waar kunnen zijn’.”

Waarom verwerpt Paulus het aardse leven zo?

„Er is duidelijk sprake van een persoonlijke gekweldheid die hij uitvergroot naar alle mensen. Er is iets in hem dat iets anders wil dan een ander deel van hem. Die tegenstrijdigheid lost hij niet zomaar op, hij kreunt om verlossing van die situatie, hij legt het verband met de hele schepping die ook wil worden bevrijd: ‘Want we weten dat alles wat geschapen is samen kreunt en samen in barensnood is tot nu toe’.”

Maar waarvan moet hij dan verlost worden?

„Dat weet ik niet, al kan ik er wel iets over vermoeden. Misschien was hij wel homoseksueel. Dat zou bijvoorbeeld een grote zonde zijn voor de joodse wet. Die wet maakt hem bewust van zijn begeerte om iets te doen wat tegen de wet is. Hij is bang voor het oordeel: het rechterlijk vonnis van zijn God.

„Paulus gaat niet voor niets zo tekeer tegen lichamelijke verlangens. Het lichaam drijft hem tot de zonde. Die wil van het lichaam is te sterk, zo sterk dat hij de joodse wet nooit zal kunnen volvoeren. Hij moet dus op een of andere manier van die joodse wet af. Godzijdank is er een oplossing: het geloof wast zijn zonden weg.”

Het lichaam kan toch niet alleen een bron van ellende zijn?

„Ik wil niet lyrisch doen over het lichaam, we gaan ook allemaal dood. Het besef van zinloosheid kan verlammen. Het is begrijpelijk dat mensen proberen daar uit te komen, het is zelfs wel ontroerend dat ze daarvoor hele kathedralen gaan bouwen. Als mensen in een eeuwig leven willen geloven, laten ze dan in die mooie kathedralen gaan zitten zingen, daar heb ik niets op tegen. Maar wel als ze op grond van de ideeën van hun God een ander levenslang met een mismaakt kind willen opzadelen of onschuldigen willen opblazen.”

Dat zei Paulus niet en de meeste gelovigen zullen dat ook niet vinden.

„Mensen die handelen op grond van geloof of handelingen voorschrijven op grond van geloof, houden een manier van denken in stand waar we vanaf willen in de wereld, ook als ze zelf niet agressief zijn. Als je bijvoorbeeld zegt: mensen mogen niet over zichzelf beschikken, die ongeboren vrucht is eigendom van God, dan zeg je dat er een gegeven waarheid is die niet ter discussie staat. Waarom dat een goed standpunt is, kun je zelfs niet uitleggen, je kunt alleen maar zeggen: ‘zo wil mijn hogere instantie het’.”

Dat is geen agressie. Dat is om ons te behoeden voor onze ondergang.

„Maar hun overtuiging maakt ze ongeschikt om aan een discussie deel te nemen, omdat ze nooit van standpunt kunnen veranderen. Het christelijk onderwijs zou dus ook niet gesubsidieerd moeten worden, we moeten juist afleren om in absolute waarheden te spreken.”

Uw bezwaar geldt dus meer de christelijke politiek, niet de gelovigen.

„Als er geen politiek bij hoort, gun ik iedereen van harte dat hij zichzelf zand in de ogen strooit. Het eindige bestaan is moeilijk genoeg. Als iemand kan geloven dat-ie eeuwig zal doorleven, laat-ie dat dan geloven. Maar hij mag er geen consequenties voor andermans leven aan verbinden.”

En wat doet een nieuwe vertaling aan deze verkeerde gedachtengang?

„Ik heb geen gedachten over de invloed daarvan. Maar ik vind wel dat ik mijn steentje moet bijdragen aan de strijd tegen het fundamentalisme. Door zo precies mogelijk te vertalen hoop ik dat van enkele christenen de ogen open zullen gaan en dat ze het bizarre zullen zien van deze redeneringen.”

Misschien wilde Paulus niet redeneren, maar iets uitdrukken dat zich eigenlijk aan woorden onttrok. Zoals muziek niet uit te drukken is behalve met muziek.

„Paulus is eigenlijk tegen redeneringen, mensen die redeneren in plaats van hun God te danken, die begrijpen het niet. Mensen moeten geloven. Degenen die denken met hun verstand iets te kunnen, worden door hun God op hun nummer gezet. Alles wat mensen kunnen is eigenlijk niets.”

Dus het gaat om onuitsprekelijkheden. ‘God’ is een woord voor iets onuitsprekelijks.

„Gebruik dat woord ‘God’ toch niet. Je moet niet zeggen: ‘God is in mijn leven gekomen.’ Dat betekent niets. Zeg desnoods: ‘Ik voelde een nieuwe kracht’.”

Dat is wel erg vaag.

„Ja, maar je moet over je eigen gevoel praten en geen beweringen doen. In plaats van te zeggen ‘Ik voelde dat er een God was die mij vergaf’ kun je hooguit zeggen: ‘Ik voelde me vrij’. Anders zeg je iets waar je geen enkele aanwijzing voor hebt.”

Dat is nu eenmaal geloofstaal. Het kan wel iets betekenen om in de kerk met z’n allen te zeggen ‘Heer ontferm u’.

„De behoefte aan erbarmen is begrijpelijk. Het is moeilijk te aanvaarden dat je het leven van je kinderen niet helemaal zult meemaken. Vergankelijkheid is triest. Daarover samen treuren kan mooi zijn. Daar is ook niets op tegen. Maar wel dat iemand op grond van een of ander dommig geloof dat kleine leven dat we hebben van ons gaat afnemen. Dat geloof is dan een verschrikking.”

Paulus: Aan de Romeinen. Vert. Gerard Koolschijn. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, prijs €13,95