De Vlaming in mij

Met onwillige Vlamingen valt over een coalitie moeilijk te onderhandelen, vindt de Belgische preformateur Elio Di Rupo. Na vijf jaar heeft correspondent Jeroen van der Kris wel begrip gekregen voor het Vlaamse nationalisme.

Vijf minuten duurde het maar. Ik liep een Brussels station in om een abonnement te halen et voilà. Toen ik buiten kwam, zag ik dat ik Franstalig was geworden. Ik heette geen Jeroen meer, zoals op mijn identiteitsbewijs stond, maar Jerome. Wat moest ik daar nou van denken?

Bij mijn komst naar Brussel, vijf jaar geleden, was ik natuurlijk van plan zo objectief mogelijk verslag te doen van gebeurtenissen. Dat bleek niet gemakkelijk. Hoe blijf je een neutrale toeschouwer in een land waar taal zó belangrijk is, en waar je als Nederlander een van de landstalen spreekt?

Als Nederlander ben je je er niet dagelijks van bewust dat taal meer is dan een gebruiksvoorwerp. Maar elke keer dat je in Brussel een winkel binnenloopt, moet je een beslissing nemen. Zeg ik bonjour of goeiendag? Als gast pas je je aan. Maar zelfs dan doe je het niet altijd goed. Op een avond deed ik een bestelling bij een snackbar. In het Frans, omdat ik vermoedde dat de man die de patat bakte Franstalig was. Een andere klant identificeerde me als Nederlander en wees me terecht. „U bent hier in Brussel hoor”, zei hij. „Hier mag je Nederlands spreken.” Moet je Nederlands spreken, bedoelde hij. Kiezen zul je.

Frans is nu de voertaal in Brussel. Maar vroeger werd hier een Brabants, dus Nederlands, dialect gesproken. De Vlamingen zijn dat niet vergeten. Bovendien is het ook hun hoofdstad. En dus vinden ze dat ze er Nederlands mogen spreken.

Voor de Nederlandse immigrant biedt de taalstrijd ook voordelen. De Vlaamse overheid wil graag dat de weinige Vlamingen die nog in Brussel wonen – ze vormen rond de 10 procent van de bevolking – in de stad blijven. Ze verwent hen daarom met een duizelingwekkend aanbod van culturele en sportieve activiteiten. „We zijn de best gesubsidieerde minderheid ter wereld”, zei een Vlaamse vriendin. Dan wil je als Nederlander best kiezen. Mijn oudste zoon zat het afgelopen jaar in een judoklasje dat bijna niets kostte. Nou ja, klasje. De laatste maanden was hij de enige leerling nadat de andere kinderen afhaakten. Elke zondag kreeg hij privéles. De trainers – het waren er twee – bleven trouw komen. We waren trots maar niet echt verbaasd toen hij onlangs zijn gele band haalde.

Het is niet moeilijk om dit soort absurditeiten te vinden. Neem Liedekerke, een Vlaamse gemeente nabij Brussel. Die haalde de internationale media in verband met een reglement voor de ‘schoolpleinwerking’. Dat bepaalde dat kinderen het Nederlands machtig moesten zijn om mee te mogen doen aan activiteiten. Een verslaggever van de New York Times ging naar Liedekerke en schreef over „a kind of nonviolent fascism”. In de internationale media geldt België de laatste jaren als een staat in ontbinding. De Vlamingen zijn de schuldigen: taalstrijd is een vorm van nationalisme, en nationalisme is gevaarlijk.

Vijf jaar geleden was het, als beginnende toeschouwer uit Nederland, verleidelijk om ook zo te redeneren. De meest zichtbare uiting van nationalisme was het Vlaams Belang, een partij die door de rechter was veroordeeld wegens racisme. Desondanks, of misschien daarom, scoorde de partij goed in de peilingen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2006 mocht Filip Dewinter zelfs hopen dat hij burgemeester van Antwerpen kon worden. Maar de socialist Patrick Janssens versperde hem de weg.

Op 8 oktober 2006, laat op de avond van de verkiezingen, zaten bekende kunstenaars rond een tafel op de Grote Markt van Antwerpen: de schrijvers Tom Lanoye en Hugo Claus, acteur Jan Decleir en zanger Tom Barman van rockgroep dEUS. Ze vierden feest, omdat het Vlaams Belang van Filip Dewinter niet langer de grootste partij van Antwerpen was. Jan Decleir zong een oud liedje, over de wisseling van de seizoenen, dat plotseling een nieuwe betekenis kreeg:

De winter is verganghen,

Ik zie des meien schijn.

Ik zie die bloemkens hangen,

Dies is mijn hart verblijd.

Tom Lanoye grijnsde. „Dat zong hij net ook toen Filip Dewinter hier voorbijliep”, zei hij.

Voor een Nederlander is België tamelijk exotisch, ondanks de aanwezigheid van zo’n zes miljoen taalgenoten. Wanneer je de grens van Nederland met België passeert zie je het meteen: dit is een ander land. De huizen staan niet langer dwangmatig in een rij. Ze zien er niet allemaal hetzelfde uit. Vaak zijn ze uitgebreid met één of meerdere koterijen, schuurtjes. Een architect lijkt er niet aan te pas te zijn gekomen. Veel Belgen bouwen hun huizen zelf. Vlaanderen verschilt wat dat betreft niet van Wallonië. Als je in België de taalgrens passeert dan zie je in eerste instantie geen verschil.

Een paar jaar geleden maakte fotograaf Stephan Vanfleteren een monumentaal boek en tentoonstelling met de titel Belgicum – een samentrekking van België en unicum. Ik sprak hem erover en zei dat ik het gevoel had dat de geschiedenis in België langer duurt. Gebouwen blijven langer staan. Vernieuwing – in het onderwijs, in de zorg – is minder populair dan in Nederland, waar we het liefst om de paar jaar alles anders doen. Ja, zei Vanfleteren, die ook veel in Nederland werkt. „Het lijkt alsof het stervensproces van dingen hier langer duurt.” De fotograaf heeft er zijn werk van gemaakt dat stervensproces vast te leggen: van oude fabrieken tot de verrotte tanden van bejaarde vissers. In Nederland, zei hij, zou hij dat niet kunnen doen. Maar in Wallonië gaat het net zo makkelijk als in Vlaanderen.

En in dat land kun je je als Nederlander plotseling toch helemaal thuis voelen. Op een avond zaten we te praten met buren – Vlaamse leeftijdgenoten – en ontdekten we dat we in onze jeugd dezelfde boeken hadden gelezen. Oosterschelde windkracht 10!, Kruistocht in Spijkerbroek!. Dat schept een band. En die band heeft alles met taal te maken.

Vlamingen zijn zich daar, anders dan Nederlanders, altijd van bewust geweest. Sinds Vlamingen hun eigen commerciële televisiezenders hebben, kijken ze minder naar Nederland. Maar de gemiddelde Vlaming weet nog altijd veel meer over de gemiddelde Nederlander dan omgekeerd.

Wat mij verbaasde: er waren in dit land mensen die m’n artikelen lazen. Een andere generatiegenoot, eentje met Vlaams-nationalistische sympathieën, begon me erover te mailen. Het gesprek dat zo ontstond, zette zich later voort in het café. „Waarom helpen jullie ons niet wat meer?”, zei hij op een dag. Helpen? En mijn neutraliteit dan?

Ik vrees dat ik hem ben blijven teleurstellen. Maar ik heb wel meer begrip gekregen voor die gevoeligheid voor alles wat met taal te maken heeft. Als je langere tijd in een buitenland woont dan ga je je aanpassen. Je zou kunnen zeggen dat ik de Vlaming in mij heb ontdekt.

Die gevoeligheid, hoe zeer zij soms ook absurde trekjes vertoont, is niet zo maar ontstaan. Volgens de Brusselse schrijver Geert van Istendael werd je dertig jaar geleden uitgelachen in de hoofdstad als je op het gemeentehuis om Nederlandstalige papieren vroeg. „Ze moesten ze wel hebben, maar ze zeiden gewoon dat ze ze niet hadden”, vertelde hij. „Ik heb het ook wel meegemaakt dat ik in winkels werd uitgescholden omdat ik Nederlands wilde praten. ‘Het Vlaams is een taal voor beesten’, dat was de houding. Nederlands spreken? Je kon net zo goed in je onderbroek naar binnen wandelen. Dus dat mensen Frans gingen spreken, is niet zo raar. Het was gewoon nodig als je sociaal wilde stijgen.”

Geert van Istendael is een onverdachte bron. Hij wil graag dat België blijft bestaan. In Brussel is het leven voor Nederlandstaligen nu wel makkelijker geworden, zei hij ook. In veel winkels in het centrum word je tegenwoordig begroet met de woorden ‘goeiendag bonjour’

‘Goeiendag bonjour’ klonk het ook op het gemeentehuis, toen ik vorig jaar een nieuwe identiteitskaart kwam halen. Eenmaal buiten gekomen, stelde ik vast dat ik deze keer geen nieuwe naam had gekregen, zoals eerder bij de spoorwegen. Ik heette nog steeds Jeroen. Maar tot m’n verrassing had ik wel een Franstalig exemplaar gekregen. Et voilà. Helemaal zonder betekenis is dat niet. Officiële talentellingen zijn al er al jaren niet meer gehouden in Brussel. Te gevoelig. Als politici toch willen ruziën over het aandeel van de ene of de andere taalgroep, dan is de taal waarin een identiteitskaart is afgegeven een van de weinige indicaties die ze hebben.

Als Vlamingen niet willen dat dingen tweetalig worden, als ze soms absurde regeltjes bedenken, dan is dat omdat de geschiedenis hen heeft geleerd: tweetalig is in de praktijk eentalig. Frans dus. Frans was nu eenmaal de taal van de elite en is nog steeds een wereldtaal. Veel Vlamingen spreken daarom goed Frans, al wordt ook dat bij de jonge generaties minder.

Een deel van de Franstaligen vindt het nog steeds vanzelfsprekend dat ze overal in hun eigen taal terecht kunnen. Let maar eens op wanneer je op een zomerse dag naar de kust rijdt. Grote kans dat je in een tankstation bij Oostende een klant in het Frans hoort beginnen tegen iemand achter de kassa. En grote kans dat hij in het Frans antwoord krijgt. Welke Vlaming zou in Charleroi een gesprekje beginnen in het Nederlands?

„De mentaliteit van Franstaligen is altijd geweest: men heeft Vlaanderen van ons afgepakt”, zei Bart De Wever in 2007 in deze krant. Hij was toen de leider van een Vlaams-nationalistisch partijtje dat de N-VA heette en amper in staat leek de kiesdrempel van vijf procent te halen.

De Wever vertelde dat hij veel e-mails kreeg van Franstalige Belgen. „Ze schrijven: ‘Monsieur, u bent een schande voor ons land, wíj zijn trots dat we Belg zijn’. Ze beginnen niet met: ‘excuseer meneer, ik spreek geen Nederlands, ik moet u in het Frans aanschrijven.’ Dat vinden ze doodnormaal. Ik antwoord daar altijd op – in het Frans – dat ik Nederlands spreek, Frans, én Duits, de drie nationale talen. ‘Wie is de slechte Belg’, vraag ik hen. Daar krijg ik nooit antwoord op. Het België waar zij van houden is hún, Franstalige België.”

Bij de verkiezingen op 13 juni werd Bart De Wever leider van de grootste partij van België. Op korte termijn wil hij wat Vlaamse politici van alle partijen al jaren willen: meer autonomie voor Vlaanderen. Op lange termijn, hoopt hij, zal België „verdampen”. Anders dan Filip Dewinter is Bart De Wever pro-Europees en zegt hij nooit lelijke dingen over moslims. Nette nationalisten, ze bestaan.

Er is weinig waarover Vlaamse en Franstalige politici het eens zijn. Ze verschillen van mening over gezondheidszorg, arbeidsmarktbeleid, immigratie, over alles eigenlijk. De afgelopen drie jaar werd België daardoor nauwelijks geregeerd. Tijdens de verkiezingscampagne werd er in het noorden van het land geruzied over de vraag hoeveel miljard er moet worden bezuinigd. In het zuiden praatten politici nog over extra uitgaven. Onlangs konden Vlaamse en Franstalige politici het zelfs niet eens worden over de kleur van de nieuwe Belgische nummerplaat.

Het is niet aan een toeschouwer om te zeggen hoe het verder moet met België. Maar de laatste maanden betrapte ik me er wel op dat ik vaak vragen stelde die vijf jaar geleden nauwelijks bij me opkwamen: wat zou eigenlijk slechter zijn voor de inwoners van dit land? Dat hun politici weer jaren ruziën en het nergens over eens worden? Of dat dat land in zijn huidige vorm ophoudt te bestaan? Als Vlamingen denken dat ze het beter zelf kunnen doen, wat is daar dan zo erg aan?

Bart De Wever, op dit moment de Vlaamse held, is misschien wel de slimste politicus van de Lage Landen. Zelfs politieke vijanden noemen de 39-jarige historicus briljant. Maar zelfs hij heeft moeite om onder woorden te brengen wat Vlamingen Vlaams maakt, anders dan het feit dat ze Nederlandse spreken. Toen ik tijdens een interview bleef hopen op een duidelijke definitie, antwoordde hij uiteindelijk: „Buitenstaanders zien het vaak scherper. Patricia Carson, een Britse historica die in Brugge woont en prachtige boeken heeft geschreven over de Middeleeuwen, zei eens: hou op met het gezeur over wat een Vlaming is, ik zie ze op iedere straathoek.”

Als Nederlander in het buitenland ontdek je ook dat Máxima ongelijk had: Net als Vlamingen hebben Nederlanders wél degelijk een identiteit. Daarom vinden we het ook prettig om dingen zelf te doen en onder elkaar te zijn. De afgelopen jaren zat ik vrijwel dagelijks in een perszaal van de Europese Commissie, met honderden collega’s uit heel Europa. Al die mondige, reislustige journalisten vormen daar als vanzelf groepjes, netjes geordend naar nationaliteit. De Nederlanders zitten in het midden op de derde rij. Nederlanders in Brussel sturen hun kinderen ook graag naar de prinses Julianaschool en naar hockeyvereniging Oranje.

83 dagen duurt de formatie in België nu. Na een jarenlange crisis staan politici voor fundamentele keuzes. Splitsen ze het land verder op of weten ze Vlamingen en Franstaligen weer dichter bij elkaar te brengen. Het eerste is moeilijk, het laatste lijkt onmogelijk. Op een dag zal dit België daarom wel ophouden te bestaan. Het kan volgend jaar zijn, maar ook volgende eeuw. Het stervensproces van dingen duurt hier soms lang.

Dit is het laatste artikel van Jeroen van der Kris als correspondent in Brussel