Boevenvangers op een dwaalspoor

Ton Derksen analyseerde tekortkomingen van rechercheurs, rechters en officieren.

Wetenschapsfilosoof Ton Derksen is in juridisch Nederland beroemd. Zijn boek uit 2006 over Lucia de Berk, Reconstructie van een gerechtelijke dwaling, zorgde voor een omslag in het denken over de zaak en uiteindelijk tot haar vrijlating. ‘Lucia de B.’ was de Haagse verdachte van seriemoord die tot levenslang werd veroordeeld en zes jaar daarvan uitzat. In een zeldzaam herzieningsproces werd vastgesteld dat zowel de misdrijven als haar daderschap op zinsbegoocheling berustten. Het is de ernstigste dwaling van Justitie uit de rechtsgeschiedenis.

Van Ton Derksen kwam gisteren een ‘praktijkboek’ voor waarheidzoekers uit, De Ware Toedracht geheten. Op het wat ingewikkelder hoofdstuk over waarschijnlijkheid na, is het in één adem uit te lezen. Het gaat over het menselijk tekort bij het waarnemen van de alledaagse werkelijkheid. En het trekt onthutsende conclusies voor rechercheurs, rechters en officieren – uitgerekend zíj blijken het slechtst getraind op het voorkomen van de denk- en waarnemingsfouten waar ieder mens gevoelig voor is.

Het rechtsbedrijf confronteert hen bovendien niet met de gevolgen. Zoals artsen hun fouten begraven, sluiten justitiefunctionarissen hun vergissingen op in de gevangenis. De protesten die daar uit opklinken, worden qualitate qua niet serieus genomen. Wie ten onrechte wordt vrijgesproken, blijft bovendien muisstil. De drempel voor een herzieningsprocedure is bovendien zo hoog dat van een praktisch leereffect zelden sprake is. Wordt er achteraf eens een fout vastgesteld, zoals in de moordzaken Putten, Schiedam en Lucia, dan worden die tot uitzondering bestempeld. Zijn voorlopige conclusie is dat in complexe zaken strafrecht veel van een loterij weg heeft.

Wie het boek heeft gelezen vraagt zich af of er überhaupt één politieman, dokter, journalist of wetenschapper wel in staat is om alle aangeboren cognitieve handicaps te overwinnen. Blindheid voor alternatieven, drang om causaliteit te zien, behoefte om altijd bedoelingen aan te nemen, doofheid voor toevalligheden, goedgelovigheid. Het veelgehoorde verwijt ‘tunnelvisie’ blijkt lid van een hele familie menselijke zwaktes. De meeste cognitieve instincten van de mens lijken bij waarheidsvinding in het strafrecht regelrecht naar de afgrond te leiden. In juridische uitspraken, pleitnotities en processen-verbaal zijn ze terug te vinden als doel- of cirkel- of drogredeneringen, geforceerd tegen weerlegging beveiligde argumenten, ongerijmde of foutieve argumentaties, verdraaide of niet begrepen feiten.

Derksen lacht als ik beken de drukproef gedeprimeerd te hebben weg gelegd. Hij is een optimist zegt hij. “Op een enkele uitzondering na” wordt het rechtsbedrijf bevolkt door goedwillende mensen. Heel soms, bij apert verdraaid of verzwegen bewijs van onschuld, vermoedt hij opzet. De meeste fouten zijn echter menselijk en gelukkig vermijdbaar. Voor de meeste vormen van ‘cognitieve geslotenheid’ zijn remedies.

Dit boek lezen is er al één van, grijnst hij. En het vak rechtswetenschapsfilosofie met empirische waarheidsvinding onderwijzen aan juristen, is oplossing twee. Oplossing drie is een externe Herzieningscommissie die pijnlijke fouten kan aangeven. Op de werkvloer komt het neer op bewust zijn van je cognitieve beperkingen – de professionele omgeving moet ook alert zijn. Derksen windt zich niet zozeer op over gemaakte fouten, alswel over de hardnekkige pogingen om ze te ontkennen. Stel nou eens zo’n Herzieningscommissie in. Elders werkt het prima, zegt hij. Laat empirie toe. Wees je bewust van alle valkuilen en beperkingen.

De gepensioneerde hoogleraar zag voor het eerst bredere verbanden bij een lezing door advocaat-generaal Frits Posthumus, die de dwaling in de Schiedammer parkmoord onderzocht. Daarin was een onschuldige veroordeeld die wel had bekend. Tot dan was Derksen ervan uitgegaan dat de zaak-Lucia min of meer uniek was. Maar hier vielen er stukjes op z’n plaats. Derksen bestudeerde meer afgesloten strafzaken waar twijfels over waren gebleven. Hij las een halve bibliotheek bij elkaar. Gaf cursussen aan het Openbaar Ministerie en de Politieacademie over zijn bevindingen. In dit praktijkboek put hij uit de Puttense en de Deventer moordzaak en de moordzaken Van Leeuwerden, Ina Post, Kevin Sweeney en ‘Drontense bos’. Zo kwam hij terecht in wat “een toch vrij spannende wereld” van whodunnits bleek. De wetenschapsfilosofie kon er onverwacht vruchtbaar toegepast worden. En er waren meer mensen in geïnteresseerd dan de groepjes die hij college gaf.

Aan het Lucia-proces heeft Derksen het etiket ‘partijdig’ overgehouden. Dat zit hem dwars. Hij wil afstand houden, objectief blijven en zo ook gezien worden. Hij ontmoet de verdachten uit die strafzaken liever niet. “Ik kan toch niks met wat zij me vertellen”. Derksen duikt liever de dossiers in. “Als ik dan tot de conclusie kom dat X onschuldig is, ben ik daardoor niet partijdig”. Pressie van advocaten of juridische deadlines weerstaat hij zo goed mogelijk. In alle geciteerde zaken denkt hij inmiddels dat de verkeerde personen zijn veroordeeld. “Juridisch zal het vast goed zijn, maar qua waarheidsvinding vind ik het vaak een bende”. Dat hij aangedaan is door het lot van onschuldig veroordeelden, geeft hij wel toe. “Dus moet ik nóg scherper op m’n argumenten letten”.

Zijn uitgangspunt is eenvoudig. In strafzaken gaat het uiteindelijk om één ding: wie heeft het gedaan. Bij uitstek een empirische, feitelijke vraag waarvoor juristen niet zijn opgeleid. Rechercheurs, officieren, rechters en advocaten gebruiken daarom noodgedwongen alledaagse methodes van waarheidvinding. In het strafproces zijn die echter uiterst riskant. Zo denkt vrijwel iedereen te kunnen onderscheiden wanneer iemand liegt. Dat wordt afgeleid uit het afgewende blikken, wriemelende handen en nerveus gedrag, de zogeheten ‘onbetrouwbare indruk’.

Maar uit onderzoek blijkt dat het menselijk vermogen om leugenaars te herkennen, nauwelijks 50 procent is. Blik afwenden zegt niks. Oogcontact blijkt tijdens bedrog eerder toe dan af te nemen. Ook wenden leugenaars de blik niet vaker af dan mensen die de waarheid spreken. Dit is al enige decennia bekend, maar dringt niet door in het justitieapparaat. Ervaren professionele leugenvangers als agenten en officieren blijken in onderzoek zelfs slechter te scoren dan eerstejaarsagenten. Volgens Derksen omdat ze een te gunstig beeld hebben gekregen van hun eigen prestaties. Ze weten eenvoudigweg niet hoe vaak ze er naast hebben gezeten. Hun vertrouwen is ten onrechte gegroeid.

De remedie is hier eenvoudig: pas op voor de automatische conclusie ‘leugenaar’. Hij noemt dit vermeende intuïtieve vermogen ‘het Magisch Oog’. Bij opsporing, vervolging en berechting kan het de doorslag geven. Sterker, de eigen waarneming van de rechter is in het strafrecht erkend. Derksen haalt aan hoe de topman van de rechterlijke macht Erik van den Emster zijn intuïtieve overtuiging omschreef: ‘Ik voel het aan m’n water’ (NRC Handelsblad, 15 mei 2010). Volgens Van den Emster functioneert het als een ‘oplooprem’ in het strafproces. Ook bij voldoende bewijs veroordeelt hij niet zónder die overtuiging. Dat vindt Derksen sympathiek. “Maar het magisch oog kan ook tot een veroordeling leiden als het bewijs juridisch net toereikend is. Maar niet qua waarheidsvinding. Levensgevaarlijk! Wordt dat wel onderkend?” Derksen bepleit harde argumentatie en empirie. In plaats van de feiten “in een beladen dossier te storten” zou de officier de ware toedracht meteen schriftelijk moeten beargumenteren. “Dan weet iedereen waar hij aan toe is”.

Hij laat in zijn boek zien dat onbevangen zoeken noch onbevooroordeeld waarnemen bestaat. Het is goed mogelijk om de waarheid te missen door een verkeerd gerichte of beïnvloede zoekvraag. Hij citeert een experiment met twee groepen ervaren artsen van wie één een juiste diagnose ingefluisterd kreeg en de andere een verkeerde. De groep die met z’n neus in de juiste richting was gezet scoorde 80,6 procent goed. De groep die het verkeerde ziektebeeld kreeg gesuggereerd scoorde 12,4 procent.

Een enkel dwarrelend feit kan professionals dus al tot een forse beroepsfout brengen. Zo kon Lucia de Berk in de val lopen van een verkeerd begrepen toeval dat politie, officier en rechter een dwingend perspectief bood op al haar handelen. Daarvan konden ze ook niet loskomen. Derksen wijdt hilarische passages aan de aangeboren neiging tot ‘geloofsvolharding’, de verleiding van passend bewijsmateriaal, de beperkte geloofwaardigheid van ontlastend bewijs en de afkeer van twijfel in het brein.

De methode waarmee rechercheurs plegen te zoeken kan al de uitkomst bepalen. Sommige rechercheteams zoeken graag naar geursporen op mogelijk vastgepakte voorwerpen. Andere teams onderzoeken liever de vuilnisbakken. Het gekozen zoekscenario bepaalt dus ook welke informatie wordt gemist. Zo wordt de informatie die wel wordt verzameld en geïnterpreteerd bepaald door het scenario dat van tevoren is gekozen. Daarbij spelen verwachtingen een grote rol. Deels zijn die instinctief, deels het gevolg van de keuze voor een perspectief. Het rechtsbedrijf is ongemerkt verslaafd aan één perspectief: de schuld van de verdachte. Opsporing en vervolging worden eenzijdig gedreven, meent Derksen. Als sterk voorbeeld noemt hij de tactiek van het OM om belangrijke getuigen die tegenspreken, voor te houden dat meineed dreigt. “De vriend van Lucia is er om veroordeeld. Maar die sprak achteraf dus ook de waarheid”.

Feiten hebben nooit uit zichzelf bewijswaarde, doceert Derksen. Net zo goed als verklaringen altijd bij meer scenario’s kunnen passen. Zelfs een bekentenis hoeft niet te wijzen op daderschap. De bewijswaarde ervan is echter zo groot dat veel politieonderzoek zich richt op het ‘halen’ van een bekentenis. Uit onderzoek onder verdachten van moord blijkt dat een ‘kleine maar significante minderheid van onschuldige mensen’ desondanks bekent. Een kwart van de 258 vrijgelaten Amerikaanse onschuldig terdoodveroordeelden bekende een niet-gepleegde moord. In de VS is het aantal dwalingen “schrikbarend”. Ook in Nederland kennen we volgens Derksen “vele” valse bekentenissen van moord. Derksen noemt het strafrechtsysteem “heel kwetsbaar”. Alles bijeen is het “heel gevaarlijk” om in de buurt van een moord te zijn. “En niet alleen als slachtoffer.”

Ook Derksen is opgevallen dat het aantal vrijspraken sinds 2005 ieder jaar met een procent stijgt. Jarenlang werd 4 procent vrijgesproken, nu is dat 9 procent. Rechters hebben de lat voor het OM dus hoger gelegd. Is dus jarenlang 5 procent onschuldig veroordeeld? “Laten we zeggen dat Openbaar Ministerie en rechters het gelijkelijk goed zien en fout, dan is dus 2,5 procent gegarandeerd fout.”

Het grote probleem is vooral dat het rechtsbedrijf nu niet leert van fouten. Deels is dat ingebakken. Rechercheurs en officieren zijn “boevenvangers” die worden beoordeeld op veroordelingen. Vrijspraken worden gezien als falen. Het leidt tot helemaal niet of tot “verkeerd leren”. Ervaring in het strafrecht geeft juist géén garantie tegen fouten.

Derksen denkt dat ook de selectie van officieren van justitie een bedreiging is. “Er wordt gezocht naar daadkrachtige, besluitvaardige mensen die onder grote publieke druk kunnen volharden”. Voor een waarheidszoeker zijn dat slechte eigenschappen. Snelheid en koppigheid bevorderen juist ‘cognitieve afsluiting’ voor alternatieve scenario’s of ontregelende informatie. Ook fouten erkennen is voor 0deze groep moeilijker.

Ton Derksen: ‘De Ware Toedracht: een praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidzoekers’, Veen Magazines.