Bij de voorplaat

Lancering van een stratosfeerballon in Brazilië door technici van het Franse Centre National d’Études Spatiales. In 2005 en 2008 werden ballonnen opgelaten voor bestudering van de ozonlaag in de stratosfeer. Die bevindt zich boven de tropen tussen 18 en 35 km hoogte. Science van deze week beschrijft onderzoek aan de daar nog aanwezige chloorfluorkoolstofverbinding CF2Cl2 , ook wel freon-12 genoemd. Dat was in gebruik als koudemiddel in koelkasten tot het verboden werd omdat het de ozonlaag aantastte – op de wereldbol links is de meest recente toestand te zien van het ozongat boven de zuidpool (op 30 augustus).

Het blijkt dat freon-12 op grote hoogte meer van de zware isotoop 37Cl bevat dan werd aangenomen. Dat geeft nieuw inzicht in de soort van chemische en fysische reacties waaraan de stof is onderworpen.

Stratosfeerballonnen bestaan uit polyetheen (het plastic dat ook voor boterhamzakjes wordt gebruikt) met een dikte van soms niet meer dan 0,004 mm. Ze worden bij de lancering maar gedeeltelijk gevuld met helium waardoor ze eerst een druppelvorm hebben. Als ze stijgen zet de ballon uit tot hij uiteindelijk een bolvorm bereikt. Al die tijd is het helium in drukevenwicht met de omgeving, omdat de ballon aan de onderzijde open is. Stratosfeerballonnen zijn groot, ze kunnen uiteindelijk een diameter bereiken van 85 tot 130 meter. Onder de beschreven condities zijn ze in staat binnen een paar uur een hoogte van wel 35 km (tot een maximum van wel 50 km) te bereiken. Daarbij passeren ze de ‘tropopauze’ die boven de tropen op 17 km hoogte ligt en waar de temperatuur kan dalen tot wel min 75 graden. Dit stelt zware eisen aan de lassen in het polyetheen. [KK]