Beleggen in aandelen doet pensioenfondsen de das om

Willem Vermeend en Robin Linschoten (NRC, 26 augustus 2010) vinden de waarderingsmethode van de verplichtingen van pensioenfondsen ‘arbitrair’ en prefereren het oude systeem met de ‘vaste’ rekenrente van 4 procent. Tegenwoordig worden de toekomstige uitkeringen verdisconteerd met de actuele marktrente, en dat zou leiden tot een jojo-effect in de dekkingsgraad.

Echter, de nieuwe methode is niet arbitrair, maar gebaseerd op het principe dat een dekkingsgraad van 100 procent kan worden gehandhaafd door het vermogen te beleggen in langlopende staatsobligaties, gegeven de levensverwachting. Bezittingen en verplichtingen zijn dan elkaars spiegelbeeld, met dezelfde gevoeligheid voor de marktrente.

Waar komt die instabiliteit dan vandaan? Welnu, pensioenfondsen beleggen steeds meer in aandelen om extra rendement te realiseren. Maar aandelen leveren al jaren minder op dan staatsobligaties, die door de rentedaling vanaf 1995 sterk in waarde zijn gestegen. Aandelen hebben de verplichtingen dus ook niet kunnen bijhouden. Vooral daardoor kampen veel fondsen nu met een tekort.

De 4 procent van vroeger was trouwens niet vast, maar een maximum. Zo werd van 1957 tot 1969 verdisconteerd met 3,25 à 3,5 procent. Bij de invoering van de Pensioenwet in 2007 is de bovengrens komen te vervallen. De regels zijn op dit punt dus versoepeld.

Natuurlijk kan de rekenrente anders worden vastgesteld. Maar elke uitkomst hoger dan de marktrente introduceert kredietrisico. Een dekkingsgraad van 100 procent zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat de pensioenen kunnen worden afgedekt met junk bonds (‘rommelobligaties’) in plaats van staatsobligaties. Zo’n kunstgreep is niet zonder meer in het belang van de deelnemers.

Roland van Gaalen,

Gepensioneerd actuaris, Amsterdam