Zonder armen, benen en billen

Vaslav Nijinski dankte zijn reputatie aan de zweefsprong: ‘hij zeilde door de lucht, zijn romp trots als een boegbeeld, hoofd geheven, blik op de wolken.’ Over dat lichaam zou je graag meer hebben gelezen.

Arthur Japin: Vaslav. De Arbeiderspers, 372 blz. € 21,95

Elk jaar wordt op het Boekenbal rond middernacht de officiële opening van de Boekenweek verricht door de auteur van het jaarlijkse geschenk. En meestal ben je om half één alweer vergeten wat de ceremonie precies inhield: dit jaar deed Joost Zwagerman iets waardoor een vrouw langzaam de lucht in steeg. Of was het andersom?

Arthur Japin belichaamt de uitzondering op deze regel. Vier jaar geleden nam hij plaats bij een meer dan manshoge trommel, waarop hij niet één stevige klap gaf, maar een hele percussievoorstelling. De ogen wijd open, het hoofd wat omhoog naar de grote trom, al zijn spieren gespannen, de benen bijna trillend, deinende schouders op het ritme van zijn eigen slagen. Die leken steeds harder te worden, terwijl de Boekenweekauteur heviger begon te transpireren. Hij leek louter lichaam, zich amper bewust van de honderden mensen om hem heen. Japin sloeg – het was vreemd en het was imposant.

Lichamelijkheid speelt een belangrijke rol in het werk van Japin, en daarbij gaat het vaak om de beperkingen die een lichaam aan een mens oplegt door de kleur (De zwarte met het witte hart) of het formaat (De grote wereld). Het maakt allemaal extra nieuwsgierig naar Vaslav, Japins deze week verschenen roman over de legendarische danser Vaslav Nijinski, of preciezer: over 19 januari 1919, de dag waarop de 29-jarige wereldster een benefietvoorstelling afbrak met de woorden ‘Nu is het kleine paardje moe’. Dansen zou hij de resterende 31 jaar van zijn leven niet meer – en spreken amper.

Door de memoires van Nijinski’s vrouw Romola, de dagboeken van de danser en een reeks biografieën zijn genie en gekte van Nijinski royaal gedocumenteerd: Japin noemt in zijn nawoord een vijftiental titels. Gouden materiaal voor de romanschrijver, waarbij het natuurlijk wel de vraag is hoeveel van zichzelf de schrijver nog aan Nijinski’s drama kan toevoegen, buiten dat Nijinski het type buitenstaander is waar het bij Japin altijd om draait. Het grootste deel van Vaslav wordt verteld door Peter, aangenomen als stoker in het Zwitserse landhuis van de Nijinski’s, maar gaandeweg steeds meer een persoonlijke begeleider en verzorger (wellicht een stille liefde) van de beroemde danser. Die is labiel en werkloos, nadat zijn huwelijk met Romola het einde heeft bezegeld van zijn band met de legendarische Ballets Russes van zijn minnaar Sergei Diaghilev. Romola probeert haar man weer te laten optreden, voor zijn gemoed en hun inkomen, maar Vaslav is voortdurend afgeleid, vooral door gedachten over de noodzaak van liefde in de door de Grote Oorlog verscheurde wereld. Of hij haalt hun vijfjarige dochtertje ’s nachts uit bed om in het donker naar een uitkijkpunt in de bergen te sleeën. Bij de terugreis toont Japin de imposante lichamelijkheid van Nijinski: ‘Zonder een woord laat hij zich achteroverzakken, zijn blik naar de hemel, één arm uitgestrekt over de rug van de slee alsof er iets achter ons aan rent dat hij de hand wil reiken, en de hele rit naar huis blijft hij zo liggen, roerloos in al zijn kracht, als een van zijn toneelfiguren op de foto’s.’ Daar zie je de grote danser, en vergeet je dat Japin hem even eerder het weeë ‘er is maar een medicijn tegen al ons verdriet en dat is de natuur’ in de mond heeft gelegd.

De dag waarop Nijinski zijn laatste passen zal dansen voltrekt zich in grote chaos, door de onbenaderbaarheid van de danser en door de gierende zenuwen van alle anderen, de echtgenote voorop. Bovendien duikt ook de ex-minnaar Daghilev op, wat Japin de gelegenheid geeft om te vertellen over de gloriejaren van Nijinski, toen hij het publiek in vervoering bracht met zijn lichaam en vooral met zijn wereldvermaarde zweefsprong, waarbij het cynisme van de oude impresario geestige observaties en passages oplevert. De komst van Daghilev leidt ook tot een lang twistgesprek tussen hem en echtgenote Romola, waarin zinloos veel wordt geduid en uitgelegd – zoals in het hele boek de passages waarin wordt gezwegen te verkiezen zijn boven de vaak soaperige praatscènes.

Eénmaal springt Nijinski zijn zweefsprong in de roman, voor zijn dochter en Peter in een bergweide: ‘Ik zou het geen zweven noemen, wat hij deed, hij zéílde door de lucht, zijn romp trots als een boegbeeld, hoofd geheven, blik op de wolken. En dan, op het hoogste punt beland, leek hij te aarzelen […] alsof hij overwoog wat hij nu moest doen, terugvallen of verder stijgen’. Even later zegt Vaslav zelf: ‘Weer naar beneden zien te komen, dat is de kunst.’ En daarmee is zijn geestelijk drama in één zin samengevat.

Via nogal wat omwegen – het leven van het personeel, de interventies van Romola’s moeder – draait Vaslav uiteindelijk naar die laatste voorstelling, waarin Nijinski de verschrikkingen van de oorlog in dans wil omzetten. Het beslissende moment voor de personages, maar ook voor Arthur Japin. Want in de beschrijving van die fatale dans, van Nijinski’s lichaam op dat moment, daarin kan de literator uitstijgen boven de anekdotes in de biografieën. Daar slaagt hij echter niet in. Japin geeft de betekenis van de bewegingen van Nijinski: ‘En verder rent hij, ontwijkt een tank, gewond, stervend als hij is, adem brandend van het mosterdgas, rukt hij aan zijn kleren, onderhand niet meer dan vodden, alsof ze verkleefd zitten aan zijn vel.’ Maar wat hij nalaat, vreemd genoeg, is tonen hoe Nijinski dat doet: zijn armen, zijn benen, zijn rug en zijn billen – ze lijken niet te bestaan. Welke spieren spant hij aan, waar landt hij op de vloer, hoe laat hij het publiek voelen dat er een tank op het podium staat? Terwijl dans juist zo’n spannende en overdonderende kunstvorm is door de lichamelijkheid, de spierkracht en het zweet.

Japin laat het lichaam van Nijinski op het cruciale moment buiten beeld, waardoor Vaslav op een frustrerende manier onaf blijft, en je des te sterker terugdenkt aan de vele ruis die de ook aanwezige sterke passages omgeeft. Zo is de aanloop lang in deze roman, de afzet stevig, maar de uiteindelijke sprong niet imposant – van zweven of zeilen is het niet gekomen.